Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:5230, Raad van State, 07-09-2026, BRS.26.003495
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 14 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een appellant heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. De zaak betreft een beslissing van de minister op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De appellant werd bijgestaan door een advocaat uit Arnhem.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling heeft het beroep afgedaan zonder nadere motivering op grond van artikel 91, tweede lid, Vw 2000, omdat het hogerberoepschrift geen rechtseenheidsvragen of Unierechtelijke vragen opwierp.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een standaard verkorte afdoening zonder inhoudelijke rechtsvraag; er wordt geen nieuw recht gesteld en de zaak heeft slechts individuele relevantie voor appellant.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte motiveringsplicht ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 (klaarblijkelijk ongegrond)
- 2Het hogerberoepschrift bevat geen vragen van belang voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin
- 3Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht (verwijzing naar HvJ EU 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243)
- 4De minister is niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten
- 5Enkelvoudige kamerbehandeling door mr. N. Verheij
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het gebruik van de verkorte afdoeningsprocedure in vreemdelingenzaken en sluit aan bij het recente HvJ EU-arrest Remling over de reikwijdte van de Unierechtelijke toetsingsplicht. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Praktische impact
Voor appellant heeft de bevestiging van de rechtbankuitspraak tot gevolg dat de beslissing van de minister onherroepelijk is geworden. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt artikel 91 lid 2 Vw 2000 de Afdeling de mogelijkheid om zaken zonder inhoudelijke motivering af te doen, wat de doorlooptijden beperkt maar de transparantie voor betrokkenen vermindert.
Samenvatting
In deze vreemdelingenzaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 7 september 2026 het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De procedure betrof een beslissing van de minister op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Appellant, bijgestaan door mr. S.T.C. Rebergen uit Arnhem, had hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, maar de Afdeling heeft dit beroep afgedaan met toepassing van de verkorte motiveringsregel van artikel 91, tweede lid, Vw 2000. Op grond van deze bepaling hoeft de Afdeling een uitspraak niet nader te motiveren wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang zijn van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin. De Afdeling stelde vast dat hiervan in dit geval sprake was. Tevens heeft de Afdeling getoetst of het hogerberoepschrift vragen opwierp over de uitleg of geldigheid van bepalingen van Unierecht. Daarvoor verwees zij naar het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243), waaruit volgt wanneer een dergelijke Unierechtelijke vraag aan de orde is. Nu ook dat niet het geval was, kon de verkorte afdoening worden toegepast. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is enkelvoudig gewezen en heeft slechts individueel belang voor appellant. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitspraak heeft geen richtinggevende werking voor de rechtspraktijk.