JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5223Laag18/100

Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard door RvS

ECLI:NL:RVS:2026:5223, Raad van State, 07-09-2026, BRS.26.003763

Raad van StateUitspraak: 7 september 2026Publicatie: 3 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.003763
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vreemdelingenbewaring
Verkorte Motivering
Artikel 91 Vw2000
Intrekking Beroep

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 8 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

Kern van de zaak

Een vreemdeling in bewaring stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank die zijn vreemdelingenbewaring rechtmatig achtte. De zaak betrof de vraag of de bewaring terecht was opgelegd en of een eerder beroep rechtsgeldig was ingetrokken.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, en de relevante rechtsvraag over intrekking van beroep al eerder door de Afdeling is beantwoord (RvS 25 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4920).

18van 100

Impactscore

Laag

De zaak is routinematig afgedaan met een verkorte motivering en bevat geen nieuwe rechtsvragen; zij verwijst slechts naar bestaande jurisprudentie en voegt geen precedentwerking toe.

Belangrijkste punten

  • 1Hoger beroep afgedaan op basis van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (verkorte motivering)
  • 2Rechtsvraag over intrekking van met kennisgeving ingesteld beroep was al beantwoord in eerdere uitspraak van 25 augustus 2026
  • 3Geen Unierechtelijke uitlegvragen aan de orde conform het Remling-arrest (HvJEU 24 maart 2026)
  • 4Ambtshalve toetsing van de vreemdelingenbewaring leverde geen reden op om deze onrechtmatig te achten
  • 5Geen proceskostenveroordeling voor de minister

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte afdoeningsgrond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 en verwijst naar een recente precedentuitspraak over de intrekbaarheid van met kennisgeving ingesteld beroep. De zaak voegt geen nieuw recht toe.

Praktische impact

De vreemdeling ontvangt geen schadevergoeding en de bewaring wordt niet alsnog onrechtmatig geacht; de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Onderwerp-impact

Voor vreemdelingen in bewaring bevestigt deze uitspraak dat hoger beroep zonder nieuwe rechtsvragen snel kan worden afgedaan, wat de effectiviteit van rechtsbescherming in bewaringsgedingen beperkt.

Samenvatting

In deze zaak bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde een vreemdeling hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank, waarbij de rechtbank zijn vreemdelingenbewaring rechtmatig had geoordeeld. Appellant werd bijgestaan door mr. W.M. Blaauw, advocaat in Haarlem. De centrale juridische vraag betrof of de vreemdelingenbewaring terecht was opgelegd en of een eerder ingediend beroep dat met kennisgeving was ingesteld, rechtsgeldig kon worden ingetrokken. De Afdeling heeft het hoger beroep afgedaan op basis van de verkorte motiveringsgrond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel maakt het mogelijk om hoger beroep zonder uitgebreide motivering ongegrond te verklaren wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling constateerde dat de rechtsvraag over de intrekking van met kennisgeving ingesteld beroep reeds eerder was beantwoord in de uitspraak van 25 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4920). Er was geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Tevens waren er geen vragen aan de orde over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen, conform de criteria uit het Remling-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026. Ambtshalve zag de Afdeling evenmin grond om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en de minister werd niet veroordeeld tot betaling van proceskosten. De uitspraak is een routinematige toepassing van bestaande jurisprudentie zonder zelfstandige precedentwaarde.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 11 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen