Hogere proceskostenvergoeding bij gebrek in bewaring voortraject
ECLI:NL:RVS:2026:5196, Raad van State, 04-09-2026, BRS.26.004294
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 5 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling in bewaring stelde hoger beroep in omdat de rechtbank bij de proceskostenveroordeling geen punt had toegekend voor de kennisgeving, ondanks een gebrek in het voortraject van de bewaring. De minister werd aanvankelijk veroordeeld tot slechts € 934,00 proceskosten.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard: de Afdeling vernietigt de proceskostenveroordeling van de rechtbank en stelt de vergoeding vast op € 2.802,00. Doorslaggevend is dat na de wetswijziging van artikel 94 lid 1 Vw 2000 per 12 juni 2026 ook een punt voor de kennisgeving moet worden toegekend wanneer er een gebrek is in het voortraject van de bewaring, zelfs als het beroep tegen de maatregel zelf ongegrond is.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past een recent gevestigde rechtsregel toe zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de impact is reëel voor de bewaringspraktijk maar beperkt tot proceskosten in een specifiek deelgebied van het vreemdelingenrecht.
Belangrijkste punten
- 1Na wijziging van art. 94 lid 1 Vw 2000 (12 juni 2026) levert een kennisgeving altijd een punt op voor proceskostenvergoeding.
- 2Een gebrek in het voortraject (staandehouding, ophouding of verlenging) volstaat voor het toekennen van dit punt, ook als het beroep tegen de bewaring ongegrond is.
- 3De Afdeling verwijst naar haar eerdere uitspraak van 25 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4927) als rechtsregel.
- 4De tweede grief wordt verworpen zonder motivering op grond van art. 91 lid 2 Vw 2000 (geen belang voor rechtseenheid of -ontwikkeling).
- 5De proceskosten worden verhoogd van € 934,00 naar € 2.802,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn van RvS 25 augustus 2026 dat na de wetswijziging van art. 94 lid 1 Vw 2000 een punt voor de kennisgeving in vreemdelingenbewaring altijd wordt toegekend bij een geconstateerd gebrek in het voortraject, ongeacht de uitkomst van het beroep tegen de maatregel zelf.
Praktische impact
Vreemdelingen in bewaring en hun advocaten kunnen voortaan bij gebreken in het voortraject structureel aanspraak maken op een hoger bedrag aan proceskostenvergoeding, wat de financiële drempel voor rechtsbijstand verlaagt.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenbewaringszaken leidt elk vastgesteld gebrek in het voortraject nu automatisch tot een hogere proceskostenvergoeding, wat de rechtspositie van vreemdelingen in bewaring versterkt.
Samenvatting
In deze zaak had een vreemdeling hoger beroep ingesteld tegen de proceskostenbeslissing van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Roermond) in een vreemdelingenbewaringszaak. De rechtbank had de minister veroordeeld tot betaling van € 934,00 aan proceskosten, overeenkomend met 1 punt voor het verschijnen ter zitting. De vreemdeling betoogde dat ook een punt had moeten worden toegekend voor de kennisgeving, nu er een gebrek was vastgesteld in het voortraject van de bewaring — een gebrek dat de staandehouding of ophouding onrechtmatig maakte, maar waarbij het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel zelf ongegrond was verklaard. De centrale rechtsvraag was of een kennisgeving in een vreemdelingenbewaringszaak recht geeft op een punt voor proceskostenvergoeding, ook als het beroep tegen de maatregel ongegrond is maar er wel een gebrek in het voortraject bestaat. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beantwoordt deze vraag bevestigend, onder verwijzing naar haar uitspraak van 25 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4927). Na de wijziging van artikel 94 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000 per 12 juni 2026 moet een punt voor de kennisgeving worden toegekend zodra een gebrek in het voortraject wordt vastgesteld, ongeacht de uitkomst van het beroep tegen de maatregel. De Afdeling vernietigt de proceskostenveroordeling van de rechtbank en stelt de totale vergoeding — voor zowel beroep als hoger beroep — vast op € 2.802,00. De tweede grief wordt zonder nadere motivering verworpen op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000, nu deze geen vragen bevat die het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling dienen. De uitspraak versterkt de procespositie van vreemdelingen in bewaring bij procedurele gebreken in het voortraject.