Beroep tegen appartementencomplex Soerendonk ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:5188, Raad van State, 02-09-2026, 202406515/1/R2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 17 september 2024 heeft de raad van de gemeente Cranendonck het bestemmingsplan "Dorpsstraat 11-13 te Soerendonk" gewijzigd vastgesteld. Het plan voorziet in een appartementencomplex met 18 woningen aan de Dorpsstraat 11 en 13 in Soerendonk. [appellanten] wonen aan de Sint [locatie] in Soerendonk, schuin achter het plangebied. Zij zijn het niet eens met het plan. [appellanten] betogen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast door het plan. Zij voeren aan dat het appartementencomplex met een bouwhoogte van maximaal 11 meter en drie bouwlagen te hoog is en niet past bij de omliggende panden. In het ontwerpbestemmingsplan bedroeg de bouwhoogte nog maximaal 10 meter en in het eerste gesprek met de initiatiefnemer was sprake van twee bouwlagen. Verder vrezen zij voor aantasting van hun privacy, omdat hun tuin en woonkamer zichtbaar zijn vanuit het appartementencomplex.
Kern van de zaak
Omwonenden aan de Sint-straat in Soerendonk maken bezwaar tegen een bestemmingsplan dat een appartementencomplex met 18 woningen en een bouwhoogte van 11 meter mogelijk maakt aan de Dorpsstraat 11 en 13. Zij stellen dat dit hun woon- en leefklimaat aantast door de hoogte en privacy-inbreuk.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het beroep ongegrond. De raad heeft binnen zijn beleidsruimte de betrokken belangen mogen afwegen en de nadelige gevolgen zijn niet onevenredig geacht ten opzichte van de met het plan te dienen doelen.
Impactscore
LaagHet betreft een enkelvoudige kamer-uitspraak over een locaal bestemmingsplan zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst past volledig binnen gevestigde jurisprudentie over de beleidsruimte van de raad en het WRO-overgangsrecht.
Belangrijkste punten
- 1Op het plan is het oude recht (Wet ruimtelijke ordening) van toepassing, omdat het ontwerpplan vóór 1 januari 2024 ter inzage is gelegd (overgangsrecht Omgevingswet).
- 2De bouwhoogte is in het vastgestelde plan verhoogd van 10 naar 11 meter ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan.
- 3Appellanten vrezen aantasting van privacy en woon- en leefklimaat door drie bouwlagen en de hoogte van het complex.
- 4De Afdeling toetst niet zelf of het plan in overeenstemming is met goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt of het besluit rechtmatig tot stand is gekomen.
- 5Er worden geen proceskosten vergoed aan appellanten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de ruime beleidsruimte van gemeenteraden bij de vaststelling van bestemmingsplannen onder het oude WRO-regime en de terughoudende toetsing door de Afdeling. Het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet wordt toegepast conform artikel 4.6, derde lid.
Praktische impact
De omwonenden krijgen geen gelijk en het bestemmingsplan blijft ongewijzigd van kracht, zodat de bouw van het appartementencomplex met 18 woningen en drie bouwlagen kan doorgaan.
Onderwerp-impact
Voor woningbouwprojecten in woonkernen bevestigt deze uitspraak dat verhogingen van bouwhoogte ten opzichte van het ontwerpplan niet automatisch leiden tot vernietiging, zolang de raad dit deugdelijk motiveert.
Samenvatting
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deed op 2 september 2026 uitspraak in een beroepszaak over een bestemmingsplan voor een appartementencomplex aan de Dorpsstraat 11 en 13 in Soerendonk. Het plan maakt de bouw van 18 woningen mogelijk in een complex met drie bouwlagen en een maximale bouwhoogte van 11 meter. Omwonenden — wonend schuin achter het plangebied — tekenden beroep aan omdat zij vreesden voor aantasting van hun woon- en leefklimaat, met name vanwege de hoogte van het complex en privacyschending van hun tuin. Zij wezen er ook op dat de bouwhoogte in het ontwerpbestemmingsplan nog 10 meter bedroeg en dat in eerdere gesprekken met de initiatiefnemer slechts twee bouwlagen aan de orde waren geweest. Allereerst stelde de Afdeling vast dat op de procedure het recht van vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft, omdat het ontwerpplan op 21 december 2023 ter inzage is gelegd. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet; de Wet ruimtelijke ordening geldt dus als toetsingskader. Inhoudelijk beoordeelde de Afdeling het beroep aan de hand van het toetsingskader voor bestemmingsplannen: de gemeenteraad beschikt over beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen, terwijl de Afdeling zich beperkt tot een rechtmatigheidstoets. De Afdeling oordeelde dat de nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van appellanten niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten vergoed. De uitspraak is in lijn met vaste jurisprudentie en heeft geen bijzondere precedentwerking buiten deze specifieke lokale situatie.