Omgevingsvergunning aanbouw verleend ondanks bestemmingsplanafwijkingen
ECLI:NL:RVS:2026:5182, Raad van State, 02-09-2026, 202404202/1/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 31 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een aanbouw op het perceel [locatie A] in Groningen. De omgevingsvergunning is ter legalisatie van de al gerealiseerde aanbouw verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo. [appellante] woont op het naastgelegen adres aan de [locatie B] en is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning, omdat volgens haar de afwijkingen van het bestemmingsplan onvoldoende zijn gemotiveerd en haar woon- en leefklimaat door de aanbouw onevenredig wordt aangetast.
Kern van de zaak
Een buurvrouw (appellante) aan de [locatie B] komt in hoger beroep bij de Raad van State tegen de verlening van een omgevingsvergunning ter legalisatie van een al gerealiseerde aanbouw op het naastgelegen perceel. Zij stelt dat het college geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt en dat haar woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast door afwijkingen van het bestemmingsplan 'Oosterparkwijk', onder meer wat betreft hoogte, lengte, bebouwingspercentage en situering op de achtererfgrens.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is fragmentarisch overgeleverd, maar de Raad van State beoordeelt of het college bij de verlening van de omgevingsvergunning een deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. Het college heeft beleidsruimte bij het verlenen van een afwijkingsvergunning; de bestuursrechter toetst slechts of het besluit in overeenstemming is met het recht en of de nadelige gevolgen niet onevenredig zijn. De exacte eindbeslissing is op basis van de beschikbare tekst niet met zekerheid vast te stellen.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande rechtsnormen toe zonder nieuwe regels te stellen; het betreft een individuele zaak over legalisatie van een aanbouw waarbij de tekst bovendien onvolledig is overgeleverd.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 (op 24 oktober 2022) is ingediend, blijft de Wabo (oud recht) van toepassing tot het besluit onherroepelijk is.
- 2De omgevingsvergunning is verleend voor activiteiten 'bouwen' en 'gebruik in strijd met bestemmingsplan' (art. 2.1 lid 1 sub a en c Wabo) ter legalisatie van een reeds gerealiseerde aanbouw.
- 3De aanbouw wijkt op meerdere punten af van het bestemmingsplan: hoogte (3,08 m i.p.v. 3 m), lengte, bebouwingspercentage (overschrijding van 50%) en situering op de achtererfgrens.
- 4Het college heeft beleidsruimte bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid; de bestuursrechter toetst marginaal of de nadelige gevolgen onevenredig zijn.
- 5De uitspraak is onvolledig, waardoor de definitieve uitkomst van het hoger beroep niet volledig kan worden vastgesteld.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepassing van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet en bevestigt de marginale toetsing door de bestuursrechter bij afwijkingsbesluiten van het bestemmingsplan. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Praktische impact
Voor omwonenden betekent dit dat bezwaar tegen een verleende afwijkingsvergunning moeilijk te honoreren is zolang het college een kenbare en niet-onevenredige belangenafweging heeft gemaakt. Legalisatie van zonder vergunning gerealiseerde bouwwerken blijft mogelijk via de reguliere Wabo-procedure indien de aanvraag vóór 1 januari 2024 is ingediend.
Onderwerp-impact
In het omgevingsrecht benadrukt deze zaak dat afwijkingen van bestemmingsplanregels (hoogte, bebouwingspercentage, situering) op zichzelf niet doorslaggevend zijn voor weigering van een vergunning; een zorgvuldige motivering van de belangenafweging door het college is cruciaal.
Samenvatting
Deze zaak bij de Raad van State betreft een hoger beroep van een buurvrouw tegen de verlening van een omgevingsvergunning ter legalisatie van een al gerealiseerde aanbouw op het naastgelegen perceel. De aanvraag voor de omgevingsvergunning werd op 24 oktober 2022 ingediend, vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van het overgangsrecht in artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft de Wabo (oud recht) van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. De omgevingsvergunning werd verleend voor de activiteiten 'bouwen' en 'gebruik in strijd met het bestemmingsplan' als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo. De buurvrouw betoogt dat de aanbouw op meerdere punten afwijkt van het bestemmingsplan 'Oosterparkwijk': de aanbouw is hoger dan de toegestane 3 meter (namelijk 3,08 meter), overschrijdt het bebouwingspercentage van 50%, en wijkt af van de regels over lengte en situering op de achtererfgrens. Zij stelt dat het college deze afwijkingen onvoldoende heeft gemotiveerd en dat haar woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast. De Raad van State overweegt dat het college bij de beslissing om al dan niet af te wijken van het bestemmingsplan beleidsruimte toekomt en een belangenafweging moet maken. De bestuursrechter toetst niet zelf of verlening in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt marginaal of het besluit rechtmatig is en of de nadelige gevolgen niet onevenredig zijn. Omdat de uitspraak fragmentarisch is overgeleverd, kan de definitieve uitkomst van het hoger beroep niet met zekerheid worden vastgesteld. De zaak illustreert het spanningsveld tussen legalisatie van reeds gerealiseerde bouwwerken en de belangen van omwonenden.