Verzoek proceskostenveroordeling asielzoeker afgewezen
ECLI:NL:RVS:2026:518, Raad van State, 29-01-2026, 202405953/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Kern van de zaak
Een asielzoeker trok zijn hoger beroep bij de Raad van State in omdat de rechtbank Den Haag geen uitspraak deed op een opvolgend beroep wegens niet-tijdig beslissen over zijn asielaanvraag. Hij verzocht vervolgens de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in zijn proceskosten op grond van artikel 8:75 Awb.
Beslissing van de rechter
Het verzoek om proceskostenveroordeling is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat de intrekking van het hoger beroep niet het gevolg was van een tegemoetkoming door de minister of een anderszins door haar toedoen vervallen belang, maar een autonome processtrategie van verzoeker zelf.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevestigt slechts bestaande jurisprudentie in een enkelvoudige kamer en heeft geen zelfstandige rechtsvormende betekenis; de feiten zijn zeer casuïstisch en de beslissing is routinematig.
Belangrijkste punten
- 1Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep vereist dat de wederpartij is tegemoetgekomen of dat het belang anderszins door haar toedoen is vervallen (art. 8:75a Awb).
- 2Verzoeker trok het hoger beroep in om een blokkade bij de rechtbank op te heffen, niet omdat de minister hem tegemoet was gekomen.
- 3Het initiatief tot intrekking lag volledig bij verzoeker zelf, zonder enige handeling of concessie van de minister.
- 4De Afdeling past vaste jurisprudentie toe (ECLI:NL:RVS:2020:1855) over de voorwaarden voor proceskostenveroordeling bij intrekking.
- 5De zaak betreft een asielzoeker die wacht op een besluit op zijn asielaanvraag; de inhoud van die zaak wordt niet beoordeeld.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat strategische intrekking van hoger beroep door de appellant zelf geen grond oplevert voor proceskostenveroordeling van de verwerende partij. Er wordt geen nieuw recht gesteld.
Praktische impact
Asielzoekers die hun hoger beroep intrekken om procedurele redenen die voortvloeien uit hun eigen processtrategie, kunnen geen proceskosten verhalen op de minister, ook niet als zij daartoe feitelijk worden gedwongen door de samenloop van procedures.
Onderwerp-impact
In asielzaken leidt de samenloop van een lopend hoger beroep en een nieuw beroep wegens niet-tijdig beslissen tot een procedureel dilemma waarbij de appellant de kosten van de keuze zelf draagt.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een asielzoeker de Raad van State om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in zijn proceskosten, nadat hij zijn hoger beroep had ingetrokken. De aanleiding voor die intrekking was procedureel van aard: verzoeker had bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, een opvolgend beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Omdat de rechtbank zolang het hoger beroep bij de Afdeling liep geen uitspraak op dat nieuwe beroep zou doen, koos verzoeker ervoor het hoger beroep in te trekken. Vervolgens deed hij een verzoek op grond van artikel 8:75a juncto artikel 8:75 Awb om de minister in de proceskosten te veroordelen. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt voorop dat een proceskostenveroordeling na intrekking van het hoger beroep slechts mogelijk is in twee situaties: (1) de verwerende partij is de appellant tegemoetgekomen, of (2) het belang bij een uitspraak is anderszins door toedoen van die partij vervallen. Dit volgt uit de vaste lijn in de jurisprudentie, onder meer bevestigd in de uitspraak van 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1855). De Afdeling stelt vast dat geen van beide situaties zich hier voordoet. De intrekking vloeit voort uit een eigen procedurele afweging van verzoeker, niet uit enige handeling of concessie van de minister. Er is geen sprake van tegemoetkoming en ook niet van een door de minister veroorzaakt verval van procesbelang. Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt dan ook afgewezen. De uitspraak heeft een beperkte juridische impact: zij bevestigt enkel bestaande jurisprudentie en stelt geen nieuwe rechtsregels. Praktisch illustreert de zaak het procedurele dilemma waarmee asielzoekers kunnen worden geconfronteerd wanneer een lopend hoger beroep een nieuwe bodemprocedure blokkeert, zonder dat zij de kosten van die situatie op de minister kunnen verhalen.