JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5163Laag28/100

Incidentele subsidie rijksmonument terecht afgewezen door minister

ECLI:NL:RVS:2026:5163, Raad van State, 02-09-2026, 202503671/1/A2

Raad van StateUitspraak: 2 september 2026Publicatie: 2 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202503671/1/A2
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Vastgoed
Vergunningen
Rijksmonument
Erfgoed
Incidentele Subsidie
Woonhuisregeling
Artikel 4 23 Awb

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 11 november 2022 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de aanvraag van [appellant] om een incidentele subsidie tot een bedrag van € 1.880.616,19 afgewezen. [appellant] is op 1 juni 2016 eigenaar van het pand aan de [locatie] (het pand) in Hulst geworden. Dat pand is sinds 4 april 1973 aangemerkt als rijksmonument. [appellant] heeft het pand overgenomen van een vriend. Deze vriend zou hem hebben voorgelogen over de mogelijkheden van doorverkoop aan de gemeente Hulst. Het college van burgemeester en wethouders had aan de vriend, als eigenaar van het pand, een last onder dwangsom opgelegd om maatregelen te treffen in verband met de veiligheid. [appellant] heeft, als rechtsopvolger, aan deze last gevolg gegeven. Het college heeft [appellant] gelast om maatregelen te treffen om de staat van het pand te verbeteren en verdere schade te voorkomen. Om de herstel- en restauratiewerkzaamheden te bekostigen heeft [appellant] de minister gevraagd om een incidentele subsidie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er al een subsidieregeling is waarop [appellant] een beroep kan doen. De Woonhuisregeling voorziet in subsidie voor kosten voor onderhoud en restauratie van een rijksmonument met woonhuisfunctie.

Kern van de zaak

Eigenaar van een rijksmonument (woonhuis) in Hulst vraagt de minister om een incidentele subsidie voor herstel- en restauratiewerkzaamheden. De minister wijst de aanvraag af omdat er een bestaande subsidieregeling (Woonhuisregeling) voor dit type monument bestaat. De eigenaar had het pand overgenomen van een vriend die hem zou hebben voorgelogen over doorverkoopkansen.

Beslissing van de rechter

De Raad van State bekrachtigt de afwijzing van de incidentele subsidieaanvraag. De doorslaggevende reden is dat voor rijksmonumenten met een woonhuisfunctie de Woonhuisregeling als wettelijk subsidie-instrumentarium bestaat, en het verstrekken van een incidentele subsidie dit fungerende systeem op grond van artikel 4:23, eerste lid, Awb zou doorkruisen.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over artikel 4:23 Awb en de gesloten subsidiesystematiek voor rijksmonumenten, en heeft geen precedentwerking buiten vergelijkbare individuele gevallen. De tekst is bovendien onvolledig, waardoor de volledige reikwijdte niet kan worden vastgesteld.

Belangrijkste punten

  • 1Het pand is sinds 1973 aangemerkt als rijksmonument met een woonhuisfunctie, waarvoor de Woonhuisregeling als reguliere subsidieregeling geldt.
  • 2De minister heeft beslissingsvrijheid bij het al dan niet verlenen van incidentele subsidies en acht doorkruising van het bestaande systeem onwenselijk.
  • 3De juridische grondslag voor afwijzing is in bezwaar gewijzigd van artikel 4:6 Awb naar artikel 4:23, eerste lid, Awb.
  • 4De persoonlijke omstandigheid dat appellant zou zijn voorgelogen door de vorige eigenaar doet niet af aan de toepasselijkheid van de reguliere subsidieregeling.
  • 5De uitspraak is gebaseerd op een onvolledige tekst; de uiteindelijke rechterlijke conclusie over de evenredigheidstoets is niet volledig weergegeven.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat een incidentele subsidieaanvraag op grond van artikel 4:23, eerste lid, Awb kan worden afgewezen wanneer een passende reguliere subsidieregeling beschikbaar is, en dat de minister daarbij beleidsruimte toekomt. Wijziging van de juridische grondslag in bezwaar is toegestaan zolang de strekking van de beslissing gelijk blijft.

Praktische impact

Eigenaren van rijksmonumenten kunnen geen incidentele subsidie verkrijgen als alternatief voor bestaande regelingen zoals de Woonhuisregeling, ook niet bij persoonlijke financiële of juridische complicaties rondom de verwerving van het pand.

Onderwerp-impact

Voor de erfgoedsector verduidelijkt deze uitspraak dat het subsidiestelsel voor rijksmonumenten gesloten van aard is: buiten de aangewezen regelingen bestaat geen ruimte voor maatwerksubsidies, wat de toegankelijkheid van financiering voor particuliere monumenteigenaren beperkt.

Samenvatting

Deze zaak betreft een eigenaar van een rijksmonument (een woonhuis) aan de [locatie] in Hulst, die het pand in 2016 overnam van een vriend. Die vriend had hem naar eigen zeggen voorgelogen over de mogelijkheid het pand door te verkopen aan de gemeente Hulst. Op het pand rustte al een last onder dwangsom voor veiligheidsmaatregelen, die de appellant als rechtsopvolger moest naleven. Om de benodigde herstel- en restauratiewerkzaamheden te financieren, diende appellant een aanvraag in voor een incidentele subsidie bij de minister. De minister wees deze aanvraag aanvankelijk af onder verwijzing naar artikel 4:6 Awb wegens het ontbreken van een juridische grondslag buiten het bestaande subsidie-instrumentarium van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. In bezwaar handhaafde de minister de afwijzing, maar wijzigde de juridische grondslag naar artikel 4:23, eerste lid, Awb. De redenering was dat voor rijksmonumenten met een woonhuisfunctie de Woonhuisregeling bestaat, die voorziet in subsidie voor onderhoud en restauratie. Omdat het pand binnen deze bestaande regeling valt, bestaat er geen aanleiding voor een aanvullende incidentele subsidie. De minister heeft bij incidentele subsidies beslissingsvrijheid en acht het onwenselijk het bestaande subsidiesysteem te doorkruisen. De Raad van State oordeelt — voor zover de beschikbare tekst dit inzichtelijk maakt — dat de afwijzing standhoudt. De uitspraak bevestigt de gesloten systematiek van het subsidierecht voor rijksmonumenten: zolang een passende regelgeving beschikbaar is, bestaat geen ruimte voor incidentele maatwerksubsidies, ook niet wanneer de aanvrager zich beroept op persoonlijke omstandigheden zoals misleiding bij de verwerving van het pand. De uitspraak heeft beperkte bredere precedentwerking maar is illustratief voor de wijze waarop de minister beleidsruimte invult bij incidentele subsidieaanvragen in de erfgoedsector.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 3 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied