Asielaanvraag Senegalese vrouw toegewezen wegens VGV-dreiging
ECLI:NL:RVS:2026:516, Raad van State, 29-01-2026, 202405413/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 29 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een Senegalese vrouw diende een asielaanvraag in omdat haar oom en tante haar wilden uithuwelijken en laten besnijden. De minister achtte het relaas geloofwaardig maar wees de aanvraag af omdat zij geen bescherming zou hebben ingeroepen bij Senegalese autoriteiten. Appellante betwistte dat effectieve bescherming beschikbaar was.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank Den Haag als het afwijzingsbesluit van de minister. De doorslaggevende reden is dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de overgelegde landeninformatie — waaruit blijkt dat strafvervolging voor vrouwelijke genitale verminking in Senegal nauwelijks plaatsvindt — niet aannemelijk maakt dat effectieve overheidsbescherming ontbreekt.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is inhoudelijk relevant voor de beoordeling van VGV-asielzaken en stelt duidelijke motiveringseisen aan de minister, maar betreft een individuele zaak zonder expliciete rechtsvraag van fundamenteel nieuw karakter.
Belangrijkste punten
- 1Het asielrelaas (dreiging van gedwongen uithuwelijking en vrouwelijke genitale verminking) werd door de minister geloofwaardig bevonden.
- 2De minister stelde dat appellante geen aannemelijkheid had aangetoond dat overheidsbescherming in Senegal ontbrak, ondanks beperkte strafvervolging.
- 3Appellante legde landeninformatie over waaruit volgt dat strafvervolging voor VGV in Senegal feitelijk uitblijft.
- 4De Raad van State oordeelt dat de minister het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd in het licht van de overgelegde landeninformatie.
- 5De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 3.269,00 voor rechtsbijstand in beroep en hoger beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat geloofwaardige dreiging van VGV en gedwongen huwelijk een zwaarwegende asielgrond vormt en dat de minister deugdelijk moet motiveren waarom landeninformatie over het uitblijven van strafvervolging niet afdoende is om gebrek aan bescherming aannemelijk te maken.
Praktische impact
Appellante heeft na vernietiging van het afwijzingsbesluit recht op een nieuwe beoordeling van haar asielaanvraag, waarbij de minister de effectiviteit van bescherming in Senegal opnieuw en beter onderbouwd moet beoordelen.
Onderwerp-impact
Voor asielzaken rondom vrouwelijke genitale verminking en gedwongen huwelijk geldt dat louter formele wetgeving en beleidsplannen in het land van herkomst niet volstaan als bewijs van beschikbare bescherming; de praktische effectiviteit moet worden aangetoond.
Samenvatting
Een Senegalese vrouw, geboren in 1997, diende op 23 juni 2024 een asielaanvraag in bij de Nederlandse minister van Asiel en Migratie. Zij stelde dat haar oom en tante haar na het overlijden van haar ouders wilden uithuwelijken en daartoe verlangden dat zij vrouwelijke genitale verminking (VGV) onderging. Haar oom had haar bedreigd om medewerking af te dwingen. De minister achtte dit relaas geloofwaardig, maar wees de aanvraag op 29 juni 2024 af. Reden: appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij geen bescherming kon inroepen bij de Senegalese autoriteiten of ngo's. De rechtbank Den Haag bevestigde dit oordeel op 20 augustus 2024. In hoger beroep bij de Raad van State stelde appellante dat uit door haar overgelegde landeninformatie blijkt dat in Senegal bij dreigende VGV en gedwongen uithuwelijking nauwelijks strafvervolging plaatsvindt en dat ngo's geen praktische hulp bieden bij aangifte. De minister handhaafde haar standpunt en wees op het wettelijk verbod op VGV in Senegal, de mogelijkheid tot aangifte en diverse overheidsinstanties en nationale actieplannen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister worden vernietigd. De kern van het oordeel is dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de overgelegde landeninformatie — die aantoont dat strafvervolging voor VGV feitelijk beperkt blijft — niet volstaat om het ontbreken van effectieve bescherming aannemelijk te maken. Het bestaan van formele wetgeving, beleidsplannen en overheidsinstanties is daarvoor op zichzelf onvoldoende. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 3.269,00. De zaak zal opnieuw moeten worden beoordeeld met inachtneming van deze motiveringsgebreken.