Aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige afgewezen ondanks late stukken
ECLI:NL:RVS:2026:5140, Raad van State, 04-09-2026, BRS.25.002235
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 27 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een Turkse onderdaan vroeg een verblijfsvergunning aan om als zelfstandige te werken in Nederland. De minister wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige mvv. In hoger beroep betwistte appellant dat de rechtbank meer dan zestig aanvullende financiële stukken ten onrechte buiten beschouwing had gelaten.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk op procedureel punt: de rechtbank had ten onrechte de in beroep overgelegde stukken als te laat bestempeld zonder de goede procesorde te toetsen. Desondanks leidt dit niet tot vernietiging, omdat de relevante feiten voor een verblijfsvergunning als zelfstandige moeten bestaan op het moment van het besluit op bezwaar, en de later overgelegde stukken zien op een periode daarna.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over de goede procesorde en introduceert geen nieuwe rechtsregels; de praktische gevolgen zijn beperkt tot de specifieke casus en vergelijkbare vreemdelingenprocedures.
Belangrijkste punten
- 1De rechtbank had moeten toetsen of het overleggen van aanvullende stukken in beroep in strijd was met de goede procesorde, in plaats van deze stukken zonder meer als te laat af te wijzen.
- 2Nadere stukken ter onderbouwing van een beroepsgrond kunnen ook na afloop van de beroepstermijn worden ingediend, mits niet in strijd met de goede procesorde (ECLI:NL:RVS:2022:379).
- 3Voor een verblijfsvergunning regulier als zelfstandige geldt dat de relevante feiten moeten bestaan op het moment van het besluit op bezwaar.
- 4Stukken die betrekking hebben op feiten van na het besluit op bezwaar kunnen de beoordeling van de aanvraag niet ten goede komen.
- 5Appellant was niet vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat hij niet aan alle overige toelatingsvoorwaarden voldeed.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling dat aanvullende stukken in beroep niet automatisch buiten beschouwing worden gelaten, maar dat de goede procesorde als maatstaf geldt. Tegelijkertijd wordt verduidelijkt dat voor verblijfsvergunningen als zelfstandige de peildatum voor de relevante feiten het besluit op bezwaar is.
Praktische impact
Voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning als zelfstandige aanvragen, is het van belang dat zij tijdig – uiterlijk in de bezwaarfase – alle relevante financiële onderbouwing aanleveren, nu stukken over latere perioden de aanvraag niet kunnen redden.
Onderwerp-impact
In procedures over verblijf als zelfstandige wordt duidelijker hoe rechters moeten omgaan met laat ingediende stukken en welke peildatum geldt voor de beoordeling van de economische activiteit.
Samenvatting
In deze zaak ging het om een Turkse onderdaan die een reguliere verblijfsvergunning had aangevraagd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat appellant niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en evenmin in aanmerking kwam voor vrijstelling van dit vereiste, nu hij niet aan alle overige vereisten voor de vergunning voldeed. In beroep legde appellant meer dan zestig aanvullende financiële documenten over, waaronder jaarrekeningen, btw-aangiften en bankafschriften over de periode 2022 tot september 2025. De rechtbank liet deze stukken buiten beschouwing omdat zij te laat waren ingediend. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank daarmee een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Conform vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2022:379) kunnen nadere stukken ter onderbouwing van een reeds aangevoerde beroepsgrond ook na de beroepstermijn worden ingediend, tenzij dit in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank had die toets moeten uitvoeren, maar heeft dat nagelaten. Hoewel de grief procedureel terecht is, leidt zij materieel niet tot vernietiging van de uitspraak. De Afdeling overweegt namelijk dat bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning als zelfstandige de relevante feiten moeten bestaan op het moment van het besluit op bezwaar. De door appellant overgelegde stukken zien deels op een periode ná dat besluit en kunnen de aanvraag daarom inhoudelijk niet alsnog dragen. De uitspraak bevestigt daarmee twee belangrijke lijnen: de goede procesorde als flexibele toets voor late stukken, én de peildatum van het besluit op bezwaar als harde grens voor de feitelijke beoordeling van verblijfsaanvragen als zelfstandige.