Beroep tegen woningbouw ongegrond wegens niet-kenbare wens
ECLI:NL:RVS:2026:5139, Raad van State, 02-09-2026, 202601197/1/R4
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 24 februari 2026 heeft de raad van de gemeente Overbetuwe het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Woningbouw Kerkstraat, Randwijk" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe vastgesteld. Het wijzigingsbesluit maakt 15 grondgebonden woningen, waaronder twee woonwagens, mogelijk aan de Kerkstraat in Randwijk. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie A] in Randwijk. De achterkant van dat perceel grenst aan de locatie waar het wijzigingsbesluit op ziet. [appellant] is het niet eens met het wijzigingsbesluit en heeft daarom beroep ingesteld. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte woningbouw aan de Kerkstraat toestaat, zonder hem de mogelijkheid te geven om op het achterste deel van zijn perceel twee woningen te bouwen.
Kern van de zaak
Appellant is eigenaar van een perceel in Randwijk waarvan de achterkant grenst aan een locatie waar de gemeenteraad via een wijzigingsbesluit 15 grondgebonden woningen mogelijk maakt. Appellant vecht dit besluit aan omdat hij zelf ook twee woningen wil bouwen op het achterste deel van zijn perceel en meent dat de raad hem daarin gelijke ontwikkelingsmogelijkheden had moeten bieden.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het beroep ongegrond. Doorslaggevend is dat appellant zijn bouwwens pas tijdens de beroepsprocedure kenbaar heeft gemaakt en niet voorafgaand aan het wijzigingsbesluit, zodat de raad bij het nemen van dat besluit van die wens niet op de hoogte was en dat ook niet hoefde te zijn.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig in vaste jurisprudentie over het tijdig kenbaar maken van belangen in bestuursprocedures en bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling; de impact is beperkt tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Appellant heeft zijn wens om twee woningen te bouwen niet in een zienswijze of anderszins vóór het wijzigingsbesluit kenbaar gemaakt aan de raad.
- 2De raad kan niet worden verweten geen rekening te hebben gehouden met een wens die hij ten tijde van het besluit niet kende.
- 3Het beroep op het gelijkheidsbeginsel (vergelijkbaarheid van percelen) en de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 Awb faalt reeds hierom.
- 4De Afdeling heeft begrip voor zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van appellant, maar dit doet niet af aan de juridische gevolgen van het niet tijdig indienen van een zienswijze.
- 5Er worden geen proceskosten vergoed.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat een bestuursorgaan bij zijn besluitvorming alleen rekening hoeft te houden met belangen en wensen die tijdig en kenbaar zijn gemaakt; het niet indienen van een zienswijze staat in de weg aan een succesvol beroep op het gelijkheidsbeginsel en de Awb-zorgvuldigheidsnormen.
Praktische impact
Appellant kan zijn perceel niet via deze procedure laten voorzien van vergelijkbare bouwmogelijkheden en zal een nieuw planologisch traject moeten doorlopen om zijn bouwwens te realiseren.
Onderwerp-impact
Voor eigenaren van percelen nabij nieuwe woningbouwlocaties onderstreept dit oordeel het belang van actieve deelname aan het inspraakproces via zienswijzen, ook bij persoonlijke belemmeringen.
Samenvatting
In deze zaak stond een wijzigingsbesluit van de gemeenteraad van Buren centraal, waarmee 15 grondgebonden woningen, waaronder twee woonwagens, mogelijk worden gemaakt aan de Kerkstraat in Randwijk. Appellant, eigenaar van een aangrenzend perceel, kon zich niet vinden in dit besluit. Hij stelde dat zijn perceel ruimtelijk vergelijkbaar is met de woningbouwlocatie en dat de raad hem op grond van het gelijkheidsbeginsel en de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb dezelfde ontwikkelingsmogelijkheden had moeten bieden, namelijk de bouw van twee woningen op het achterste deel van zijn perceel. Daarnaast betoogde hij dat de gekozen locatie een toekomstige ontsluiting van zijn perceel via de Kerkstraat onmogelijk maakt en dat de waardeontwikkeling van zijn perceel hierdoor achterblijft. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het beroep ongegrond is. De doorslaggevende overweging is feitelijk van aard: appellant heeft zijn bouwwens pas tijdens de beroepsprocedure voor het eerst kenbaar gemaakt aan de raad. Hij heeft geen zienswijze ingediend over het ontwerpbesluit en zijn wensen ook niet op andere wijze vóór vaststelling van het wijzigingsbesluit geuit. De Afdeling erkent dat zwaarwegende persoonlijke omstandigheden appellant daartoe mogelijk hebben belet, maar verbindt daaraan geen juridische consequenties voor het bestuursorgaan. Omdat de raad bij het nemen van het besluit niet wist en niet hoefde te weten van appellants bouwwensen, kunnen alle beroepsgronden die daarop voortbouwen al hierom niet slagen. Aan een inhoudelijke beoordeling van het gelijkheidsbeginsel en de overige Awb-gronden komt de Afdeling dan ook niet toe. De uitspraak illustreert het fundamentele belang van tijdige participatie in bestuurlijke besluitvormingsprocedures.