Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding beroepstermijn
ECLI:NL:RVS:2026:5131, Raad van State, 03-09-2026, BRS.26.004509
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State, maar diende het hogerberoepschrift na het verstrijken van de termijn van 25 augustus 2026 in. De zaak betreft vermoedelijk een vreemdelingenrechtelijke kwestie, gezien de verwijzing naar Bahaddar-omstandigheden. Appellant voerde gronden aan waarom het te late beroep toch in behandeling genomen zou moeten worden.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het hogerberoepschrift na de uiterste termijn van 25 augustus 2026 is ingediend. De doorslaggevende reden is dat er geen Bahaddar-omstandigheden aanwezig zijn die een uitzondering op de termijnoverschrijding rechtvaardigen.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele niet-ontvankelijkverklaring zonder inhoudelijke beoordeling, die slechts de bestaande lijn bevestigt. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Belangrijkste punten
- 1Het hogerberoepschrift werd ingediend na de uiterste termijn van 25 augustus 2026
- 2De aangevoerde gronden leverden geen reden op om het te late beroep alsnog te behandelen
- 3Er zijn geen Bahaddar-omstandigheden vastgesteld als bedoeld in RvS 22 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1664)
- 4Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard door de enkelvoudige kamer
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de strikte handhaving van hogerberoepstermijnen en de beperkte reikwijdte van de Bahaddar-uitzondering in het bestuursrecht. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan een termijnoverschrijding worden gepasseerd.
Praktische impact
Appellant verliest de mogelijkheid om zijn zaak inhoudelijk te laten beoordelen door de Raad van State vanwege het te laat indienen van het hogerberoepschrift. Proceskosten worden niet vergoed.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken blijft de Bahaddar-exceptie een smalle ontsnappingsroute bij termijnoverschrijdingen; appellanten moeten aantonen dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die direct gevaar voor lijf en leden meebrengen.
Samenvatting
In deze zaak stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, vermoedelijk in een vreemdelingenrechtelijke kwestie. De termijn voor het instellen van hoger beroep liep af op 25 augustus 2026, maar het hogerberoepschrift werd na die datum ingediend bij de Raad van State. De centrale juridische vraag was of de termijnoverschrijding kon worden gepasseerd op grond van bijzondere omstandigheden, en of de door appellant aangevoerde gronden daartoe aanleiding gaven. De Afdeling oordeelde dat dit niet het geval is. Appellant kon geen beroep doen op de zogeheten Bahaddar-uitzondering, zoals geformuleerd in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1664). Die uitzondering biedt in het vreemdelingenrecht ruimte om een te laat ingediend rechtsmiddel toch te behandelen indien er sprake is van zeer klemmende redenen van humanitaire aard — doorgaans wanneer er een direct en reëel risico bestaat voor het leven of de fysieke integriteit van de betrokkene. Omdat zulke omstandigheden in dit geval niet zijn aangetoond of aannemelijk gemaakt, bestaat er geen grond om af te wijken van de termijnregel. De Afdeling verklaart het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk. De minister wordt niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en heeft een puur procedureel karakter: aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil komt de rechter niet toe. De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat beroepstermijnen in het bestuursrecht van openbare orde zijn en slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen worden gepasseerd.