RvS: Alternatieve toetsvorm student met beperking voldoende
ECLI:NL:RVS:2026:5095, Raad van State, 31-08-2026, 202601639/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij beslissing van 23 februari 2026 heeft de examencommissie van het Instituut voor Lerarenopleidingen van de hogeschool Rotterdam het verzoek van [appellante] om voor een aantal cursussen binnen de door haar gevolgde opleiding gebruik te mogen maken van een alternatieve toetsvorm toegewezen, in die zin dat, in overleg met de opleiding over de uitwerking ervan, voor de cursussen gebruik kan worden gemaakt van een mondelinge toetsvorm. Bij beslissing van 21 april 2026 heeft het College van beroep voor de examens van het Instituut voor Lerarenopleidingen van de hogeschool Rotterdam het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellante] volgt de Associate Degree Educatief Professional Beroepsonderwijs. Deze associate degree-opleiding is een tweejarige hbo-opleiding die in samenwerking met het mbo en werkveld wordt ontwikkeld. De Associate Degree leidt educatieve professionals op die lessen verzorgen, waarbij de eindverantwoordelijkheid daarvoor bij de docent ligt en de educatief professional instructie en begeleiding geeft aan een groep leerlingen. [appellante] volgt het uitstroomprofiel Burgerschap, behorend bij de Lerarenopleiding Maatschappijleer. Met dit diploma kan zij doorstromen naar het derde jaar van de hbo-bachelor Lerarenopleiding Maatschappijleer.
Kern van de zaak
Een hbo-studente met medische beperkingen (maximale belastbaarheid van 15-20 minuten) verzocht om een alternatieve toetsvorm voor vier vakken. De examencommissie bood een mondelinge toetsvorm in twee delen aan, maar de studente stelde dat ook dit geen doeltreffend alternatief was gezien haar belastbaarheid. Na ongegrondverklaring in administratief beroep stapte zij naar de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Doorslaggevend is dat de examencommissie de beslissing zorgvuldig heeft voorbereid en geen onjuiste maatstaf heeft gehanteerd; versnipperde mondelinge toetsing per hoofdstuk werd onvoldoende geacht om de leerstof adequaat te toetsen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een individuele zaak over redelijke aanpassingen in het onderwijs en bevat geen fundamenteel nieuwe rechtsregels, maar geeft wel verduidelijking over de grenzen van de aanpassingsplicht onder de Wgbh/cz in een onderwijscontext, wat relevant is voor vergelijkbare gevallen.
Belangrijkste punten
- 1De examencommissie is op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) gehouden doeltreffende aanpassingen te verrichten naar gelang de behoefte.
- 2De examencommissie heeft advies ingewonnen bij de studentendecaan en de opleiding, en heeft gesproken met appellante, waardoor de voorbereiding als zorgvuldig werd beoordeeld.
- 3Een mondelinge toetsvorm in twee delen per vak werd als doeltreffend alternatief aangemerkt, ondanks de beperkte belastbaarheid van appellante.
- 4Sterk versnipperde toetsing (per hoofdstuk) werd inhoudelijk onvoldoende geacht om de vakkennis adequaat te kunnen beoordelen.
- 5Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen, nu het beroep ongegrond is verklaard.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat onderwijsinstellingen bij het bieden van redelijke aanpassingen ex artikel 2 Wgbh/cz een zekere beleidsruimte behouden, mits de besluitvorming zorgvuldig is en de gekozen aanpassing inhoudelijk verdedigbaar is. Een extreme versnippering van toetsing hoeft niet te worden geaccepteerd als dat de waarborgfunctie van de toets aantast.
Praktische impact
Studenten met beperkingen die een alternatieve toetsvorm verzoeken, kunnen niet afdwingen dat de instelling élke gewenste aanpassing doorvoert; de instelling mag de onderwijskundige integriteit van de toets bewaken. Instellingen dienen hun besluitvorming wel zorgvuldig te documenteren en te onderbouwen.
Onderwerp-impact
Voor het hoger onderwijs verduidelijkt deze uitspraak de grenzen van de redelijke-aanpassingsplicht: de belastbaarheid van de student is een relevante factor, maar de inhoudelijke toetsing van leerdoelen mag niet worden uitgehold door overmatige opdeling van toetsmomenten.
Samenvatting
Een studente aan een Associate Degree-opleiding Educatief Professional Beroepsonderwijs, met het uitstroomprofiel Burgerschap behorend bij de Lerarenopleiding Maatschappijleer, heeft vanwege medische beperkingen een maximale cognitieve en fysieke belastbaarheid van slechts vijftien tot twintig minuten. Zij verzocht de examencommissie voor vier vakken — Democratie en Rechtsstaat, Politicologie, Europese Unie en Internationale Betrekkingen II — om een alternatieve toetsvorm in plaats van de reguliere schriftelijke tentamens. De examencommissie heeft aan dit verzoek tegemoetgekomen door een mondelinge toetsvorm per vak in twee delen aan te bieden. Appellante stelde in administratief beroep dat ook deze tweedelige mondelinge toetsing geen doeltreffend alternatief vormt, omdat elk deel haar maximale belastbaarheid overstijgt. Het College van Beroep voor het Onderwijs (CBE) verklaarde dit beroep ongegrond, waarna appellante bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instelde en tevens schadevergoeding vorderde. De centrale juridische vraag betrof de reikwijdte van de aanpassingsplicht onder artikel 2 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz): hoe ver moet een onderwijsinstelling gaan bij het aanbieden van een alternatieve toetsvorm? De Afdeling oordeelt dat het beroep ongegrond is. De examencommissie heeft haar beslissing zorgvuldig voorbereid door advies in te winnen bij de studentendecaan, informatie op te halen bij de opleiding en een gesprek te voeren met appellante. Bovendien heeft de examencommissie geen onjuiste maatstaf gehanteerd: een sterk versnipperde toetsing per hoofdstuk werd inhoudelijk onvoldoende geacht om de beoogde leerdoelen van de vakken adequaat te kunnen beoordelen. De aanpassingsplicht dwingt een instelling niet tot aanpassingen die de toetsintegriteit ondergraven. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. De uitspraak bevestigt dat instellingen bij redelijke aanpassingen onderwijskundige belangen mogen meewegen.