Uitzetting vreemdeling tijdelijk geblokkeerd wegens ontbrekende stukken
ECLI:NL:RVS:2026:5080, Raad van State, 28-08-2026, BRS.26.004528
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 15 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling in bewaring verzocht de Raad van State om een voorlopige voorziening om uitzetting op 28 augustus 2026 te voorkomen. Het hoger beroep liep nog, maar de benodigde processtukken waren nog niet aangeleverd door de minister. Zonder die stukken kon de zaak niet inhoudelijk worden beoordeeld.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de vreemdeling niet op 28 augustus 2026 mag worden uitgezet. De bewaring zelf wordt niet opgeheven, omdat het ontbreken van stukken het zicht op uitzetting niet wegneemt en een spoedige beslissing op het hoger beroep in het verschiet ligt.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard procedurele voorlopige voorziening in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst sluit volledig aan bij bestaande jurisprudentie van de Afdeling.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen uitsluitend vanwege het ontbreken van processtukken, waardoor inhoudelijke beoordeling niet mogelijk was
- 2Maatregel van vreemdelingenbewaring blijft in stand: een tijdelijk uitzettingsverbod tast de rechtmatigheid van de bewaring niet aan (conform RvS 27 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6903)
- 3Het zicht op uitzetting blijft bestaan omdat geen aanknopingspunten bestaan dat het hoger beroep niet binnen afzienbare tijd wordt beslist
- 4De voorzieningenrechter behoudt bevoegdheid de voorziening ambtshalve te wijzigen of op te heffen (artikel 8:87 lid 1 Awb)
- 5Minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat een procedureel tijdelijk uitzettingsverbod de rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring onverlet laat en dat het zicht op uitzetting primair aan de voortgang van het hoger beroep wordt getoetst.
Praktische impact
De vreemdeling wordt niet uitgezet zolang de voorlopige voorziening van kracht is, maar blijft in bewaring; de minister moet alsnog de relevante stukken aanleveren om de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep mogelijk te maken.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken onderstreept de uitspraak dat procedurele verzuimen van de overheid (niet tijdig aanleveren stukken) leiden tot een tijdelijk uitzettingsverbod, maar niet automatisch tot vrijlating uit bewaring.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een vreemdeling die in bewaring was gesteld de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening teneinde uitzetting op 28 augustus 2026 te voorkomen. Tegelijkertijd had hij hoger beroep ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring. De centrale juridische vraag was of de uitzetting kon worden tegengehouden zolang het hoger beroep nog niet inhoudelijk kon worden beoordeeld. De reden voor het verzoek was puur procedureel van aard: de op de zaak betrekking hebbende stukken waren door de minister van Asiel en Migratie nog niet aangeleverd, waardoor zowel een inhoudelijke beoordeling van de grieven als een ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring feitelijk onmogelijk was. De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de vreemdeling niet op 28 augustus 2026 mag worden uitgezet. Daarmee wordt de behandeling van het hoger beroep materieel veiliggesteld. Tegelijkertijd heft de voorzieningenrechter de maatregel van vreemdelingenbewaring uitdrukkelijk niet op. Onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2009:BJ6903) oordeelt de voorzieningenrechter dat een tijdelijk uitzettingsverbod op zichzelf de rechtmatigheid van de bewaring niet aantast. Bovendien blijft het zicht op uitzetting bestaan, nu er geen aanknopingspunten zijn dat het hoger beroep niet binnen afzienbare tijd zal worden beslecht. De voorzieningenrechter behoudt ingevolge artikel 8:87 lid 1 Awb de bevoegdheid de voorziening ambtshalve te wijzigen of op te heffen. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ter hoogte van € 934,00. De uitspraak is een routinematige, procedureel gedreven beslissing zonder nieuwe rechtsvragen.