Uitzetting vreemdelingen opgeschort tot hoger beroep beslist
ECLI:NL:RVS:2026:5061, Raad van State, 31-08-2026, BRS.26.003958
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 5 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Verzoekers (vreemdelingen) hebben bij de voorzieningenrechter van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen totdat hun hoger beroep is behandeld. Zij verzochten tevens om recht op opvang en verstrekkingen gedurende die periode.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening toegewezen: verzoekers mogen niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Doorslaggevend was hetgeen is aangevoerd door verzoekers, in lijn met de vaste jurisprudentie van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:457); de minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ad € 934,00.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige voorlopige voorziening in een individuele vreemdelingenzaak op basis van bestaande jurisprudentie; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de reikwijdte is beperkt tot de concrete zaak.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort tot beslissing op hoger beroep
- 2Toepassing van vaste Afdelingsrechtspraak (ECLI:NL:RVS:2019:457) als grondslag voor toewijzing
- 3Verzoek omvat zowel bescherming tegen uitzetting als recht op opvang en verstrekkingen
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand
- 5De uitspraak is beperkt in motivering; de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep volgt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bij voldoende aangevoerde gronden een schorsende werking via voorlopige voorziening wordt verleend in vreemdelingenzaken hangende hoger beroep. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Praktische impact
Verzoekers worden beschermd tegen uitzetting totdat hun hoger beroep inhoudelijk is behandeld, en hebben recht op proceskostenvergoeding; de minister dient de uitzetting te staken.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratiezaken biedt dit type voorlopige voorziening een tijdelijke maar cruciale bescherming voor vreemdelingen in afwachting van een definitieve rechterlijke uitspraak.
Samenvatting
In deze zaak hebben verzoekers — vermoedelijk asielzoekers of vreemdelingen met een lopende procedure — de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Zij wensten te voorkomen dat zij zouden worden uitgezet voordat op hun ingestelde hoger beroep zou zijn beslist. Daarnaast verzochten zij om continuering van opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen op basis van hetgeen door verzoekers is aangevoerd, en onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Op grond hiervan is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat verzoekers niet worden uitgezet totdat op hun hoger beroep is beslist. De uitspraak is sober gemotiveerd, wat typerend is voor voorlopige voorzieningenprocedures: de voorzieningenrechter beoordeelt of er voldoende gronden zijn voor een ordemaatregel, zonder vooruit te lopen op de inhoudelijke uitkomst van het hoger beroep. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De juridische betekenis van deze uitspraak is beperkt: zij is individueel van aard, bevestigt bestaande rechtspraktijk en stelt geen nieuwe normen. Voor de betrokken verzoekers heeft zij echter directe en concrete betekenis: zij zijn tijdelijk beschermd tegen uitzetting en kunnen in afwachting van de definitieve uitspraak in hoger beroep in Nederland verblijven. De inhoudelijke vraag over hun verblijfsstatus blijft onbeantwoord tot de hoofdzaak is behandeld.