Uitzetting vreemdeling geschorst tot hoger beroep beslist
ECLI:NL:RVS:2026:5059, Raad van State, 31-08-2026, BRS.26.004231
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 8 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft bij de voorzieningenrechter van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd om niet te worden uitgezet hangende het hoger beroep in zijn asielprocedure. Tevens verzocht hij om opvang en verstrekkingen. De minister van Asiel en Migratie was de wederpartij.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorlopige voorziening toegewezen: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister is veroordeeld in de proceskosten van € 934,00. De doorslaggevende reden is dat het aangevoerde voldoende grond geeft voor het treffen van een voorlopige voorziening, conform vaste jurisprudentie (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige voorlopige voorzieningsbeslissing zonder nieuwe rechtsontwikkeling, gebaseerd op bestaande vaste jurisprudentie. De impact is beperkt tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst tot beslissing op hoger beroep
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen meegewogen bij de beoordeling
- 3Toepassing van vaste Afdelingsjurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457) als juridische maatstaf
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld in proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak betreft uitsluitend een voorlopige maatregel; de bodemprocedure (hoger beroep) loopt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande praktijk dat de Afdeling bestuursrechtspraak bij voldoende aangevoerde gronden een schorsende voorlopige voorziening treft in uitzettingszaken hangende hoger beroep. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld.
Praktische impact
De vreemdeling is voorlopig beschermd tegen uitzetting en heeft recht op opvang en verstrekkingen in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. De minister draagt de proceskosten.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken onderstreept deze uitspraak het belang van de voorlopige voorzieningenprocedure als effectief rechtsmiddel om uitzetting te schorsen tijdens lopende hoger beroepsprocedures.
Samenvatting
Een vreemdeling in een asielprocedure verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening hangende het door hem ingestelde hoger beroep. Hij vroeg concreet om schorsing van zijn uitzetting totdat op het hoger beroep zou zijn beslist, alsmede om opvang en verstrekkingen in de tussenliggende periode. De wederpartij was de minister van Asiel en Migratie. De centrale juridische vraag was of er voldoende grond bestond om bij wijze van voorlopige maatregel de uitzetting te schorsen. De voorzieningenrechter heeft die vraag bevestigend beantwoord. Onder verwijzing naar vaste Afdelingsjurisprudentie — met name de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457) — oordeelde de voorzieningenrechter dat het aangevoerde voldoende reden geeft voor het treffen van een voorlopige voorziening. Er worden in de uitspraak geen inhoudelijke overwegingen over de asielprocedure zelf uiteengezet; de beoordeling blijft beperkt tot de vraag of een voorlopige maatregel op zijn plaats is. De voorzieningenrechter bepaalde dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist, en veroordeelde de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 934,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze uitspraak heeft een beperkte juridische impact: zij bevestigt staande praktijk zonder nieuwe rechtsregels te formuleren. Voor de vreemdeling biedt zij concrete bescherming op de korte termijn. De bodemprocedure in hoger beroep is nog aanhangig en zal de definitieve beoordeling van zijn zaak opleveren.