Uitzetting vreemdeling opgeschort hangende hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:5054, Raad van State, 31-08-2026, BRS.26.004246
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 17 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en heeft tegelijkertijd de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting te voorkomen en opvang en verstrekkingen te verkrijgen gedurende de behandeling van zijn hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter van de Raad van State wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe: verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,00. De doorslaggevende reden is gelegen in hetgeen is aangevoerd, met verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (RVS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een individuele voorlopige voorzieningsbeslissing zonder inhoudelijke beoordeling van de bodemzaak, gebaseerd op vaste jurisprudentie, zonder nieuwe rechtsontwikkeling of bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort totdat hoger beroep is beslist
- 2Toetsingsmaatstaf ontleend aan vaste Afdelingsjurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 3De uitspraak bevat geen inhoudelijke beoordeling van de bodemzaak of het hoger beroep
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00 voor rechtsbijstand
- 5Verzoek om opvang en verstrekkingen is mede onderdeel van het verzoek, maar de uitspraak zwijgt over toewijzing daarvan
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de bekende voorzieningenjurisprudentie toe in vreemdelingenzaken en heeft als zodanig geen zelfstandige precedentwerking, maar bevestigt het beschermingskader bij dreigende uitzetting hangende hoger beroep. De rechtsbescherming van vreemdelingen via de voorlopige voorzieningsprocedure bij de Afdeling wordt hier opnieuw geëffectueerd.
Praktische impact
Verzoeker kan voorlopig niet worden uitgezet en behoudt daarmee de mogelijkheid zijn hoger beroep in Nederland af te wachten. De minister dient de proceskosten te vergoeden, wat een financiële consequentie meebrengt voor de overheid.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt de voorlopige voorzieningsprocedure bij de Raad van State een effectief instrument om uitzetting te voorkomen gedurende de hoger beroepsprocedure, hetgeen de positie van asielzoekers en migranten in lopende procedures beschermt.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht om een voorlopige voorziening in het kader van een door hem ingesteld hoger beroep tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. Het verzoek strekte ertoe dat verzoeker niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, en dat hij opvang en verstrekkingen zou ontvangen gedurende de procedure. De voorzieningenrechter oordeelt, gelet op hetgeen is aangevoerd en onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457), dat de gevraagde voorlopige voorziening dient te worden getroffen. De uitspraak bevat geen inhoudelijke motivering van de belangenafweging of de gronden van het hoger beroep; de beslissing is kort en formeel van aard, hetgeen gebruikelijk is bij spoedprocedures van deze aard. Concreet bepaalt de voorzieningenrechter dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Daarnaast wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, vastgesteld op € 934,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft geen zelfstandige precedentwerking en stelt geen nieuwe rechtsregels. Zij bevestigt het bestaande beschermingskader voor vreemdelingen die hangende een hoger beroepsprocedure dreigen te worden uitgezet. Voor verzoeker heeft de beslissing directe en ingrijpende praktische betekenis: hij kan zijn procedure in Nederland afwachten en is voorlopig gevrijwaard van uitzetting.