JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5052Middel38/100

RvS: rechtbank paste instandlating rechtsgevolgen onjuist toe bij inreisverbod

ECLI:NL:RVS:2026:5052, Raad van State, 31-08-2026, BRS.26.004131

Raad van StateUitspraak: 31 augustus 2026Publicatie: 27 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.004131
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
Hoger Beroep
Vreemdelingenwet
Inreisverbod
Instandlating Rechtsgevolgen
Artikel 8 72 Awb

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 7 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Kern van de zaak

Een vreemdeling ging in hoger beroep nadat de rechtbank Den Haag het inreisverbod van tien jaar vernietigde maar tegelijkertijd de rechtsgevolgen van het gehele besluit in stand liet. Appellant betoogde dat dit tegenstrijdig was: het inreisverbod van tien jaar moest worden opgeheven, terwijl de instandlating juist de gevolgen daarvan liet voortbestaan.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin de rechtsgevolgen van het besluit van 7 mei 2026 in stand zijn gelaten. De doorslaggevende reden is dat artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, Awb bepaalt dat instandlating van rechtsgevolgen uitsluitend betrekking kan hebben op het vernietigde (deel van het) besluit, en niet kan worden gebruikt om gevolgen in leven te houden die juist moeten worden opgeheven.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt en verduidelijkt bestaande rechtspraak over de reikwijdte van art. 8:72 lid 3 Awb in een vreemdelingenrechtelijke context, maar stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel vast; de impact is daarmee beperkt tot verduidelijking van een bekende procedureregel.

Belangrijkste punten

  • 1Instandlating van rechtsgevolgen (art. 8:72 lid 3 Awb) mag uitsluitend betrekking hebben op het vernietigde besluit of het vernietigde deel daarvan, niet op een ander deel van het besluit.
  • 2De minister erkende zelf al dat het inreisverbod van tien jaar onterecht was opgelegd; instandlating van de gevolgen daarvan is dan rechtens onjuist.
  • 3Grieven één tot en met vijf worden afgedaan met de verkorte motivering van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen rechtseenheidsvraag).
  • 4Het hoger beroep roept geen prejudiciële vragen op over Unierecht (conform HvJ EU 24 maart 2026, Remling).
  • 5De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van artikel 8:72 lid 3 Awb: een rechter kan de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit niet in stand laten wanneer partijen het er juist over eens zijn dat die gevolgen moeten worden opgeheven. Dit bevestigt en scherpt de grenzen van de instandlatingstechniek aan.

Praktische impact

Voor appellant betekent de uitspraak dat het onrechtmatige inreisverbod van tien jaar nu daadwerkelijk wordt opgeheven en niet via een procedurele constructie alsnog effect blijft sorteren. Het eerder vastgestelde inreisverbod van twee jaar herleeft.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenrechtelijke procedures wordt duidelijker dat rechters de instandlatingsbevoegdheid terughoudend moeten toepassen, met name wanneer de minister zelf de onrechtmatigheid erkent en opheffing het beoogde rechtsgevolg is.

Samenvatting

In deze zaak had de rechtbank Den Haag het inreisverbod van tien jaar dat de minister van Asiel en Migratie op 7 mei 2026 had opgelegd vernietigd, nadat de minister zelf had erkend dat dit verbod onterecht was. De rechtbank bepaalde echter tegelijkertijd dat de rechtsgevolgen van het gehele besluit van 7 mei 2026 in stand blijven. Appellant betoogde in hoger beroep bij de Raad van State dat dit onjuist was: instandlating van rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde deel daarvan. Nu juist het inreisverbod van tien jaar was vernietigd omdat het niet in stand kon blijven, was het innerlijk tegenstrijdig om de rechtsgevolgen van datzelfde vernietigde besluitonderdeel toch in stand te laten. De Raad van State oordeelt dat deze zesde grief slaagt. De eerste vijf grieven worden afgedaan met toepassing van de verkorte motivering van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zij geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden. Ook worden geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld, nu het hogerberoepschrift geen vragen oproept over de uitleg of geldigheid van Unierecht. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de aangevochten uitspraak voor zover de rechtbank daarin de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten, bevestigt de uitspraak voor het overige, en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep van € 934,00. De praktische uitkomst is dat het inreisverbod van tien jaar daadwerkelijk wordt opgeheven, terwijl het eerder in rechte vastgestelde inreisverbod van twee jaar herleeft.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied