Verzoek voorlopige voorziening asielzoeker afgewezen wegens ontbrekend spoedeisend belang
ECLI:NL:RVS:2026:4976, Raad van State, 27-08-2026, BRS.26.003841
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij ‘kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens’ van 21 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel laten weten de geboortedatum van verzoeker te hebben gewijzigd.
Kern van de zaak
Een asielzoeker verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet en opvang en verstrekkingen krijgt, in afwachting van een beslissing op zijn hoger beroep in een asielprocedure.
Beslissing van de rechter
Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft aangetoond, omdat hij op grond van artikel 8, aanhef en onder f, onderdeel 2, van de Vreemdelingenwet 2000 reeds rechtmatig verblijf heeft in Nederland zolang op zijn asielaanvraag nog niet is beslist.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele, routinematige beslissing van de voorzieningenrechter zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitkomst is gebaseerd op vaste jurisprudentie omtrent het spoedeisend belang in vreemdelingenzaken.
Belangrijkste punten
- 1Verzoeker had naast het hoger beroep ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot een verbod op uitzetting en toekenning van opvang en verstrekkingen.
- 2De voorzieningenrechter stelt vast dat een spoedeisend belang ontbreekt als vereiste voor het treffen van een voorlopige voorziening.
- 3Het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, onderdeel 2, Vw 2000 neemt het acute risico op uitzetting weg.
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5De uitspraak is procedureel van aard en inhoudelijk beperkt; over de asielaanvraag of het hoger beroep zelf wordt niet geoordeeld.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat een verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen indien de verzoeker op grond van artikel 8 Vw 2000 reeds rechtmatig verblijf heeft en daarmee het spoedeisend belang aan het verzoek komt te ontvallen. Dit is een toepassing van bestaand recht zonder nieuwe rechtsontwikkeling.
Praktische impact
Voor verzoeker betekent de afwijzing dat hij vooralsnog niet wordt uitgezet dankzij zijn reeds bestaande rechtmatig verblijf, maar dat hij via de voorlopige voorziening geen aanvullende bescherming of opvang heeft verkregen; de hoofdzaak in hoger beroep loopt door.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenprocedures onderstreept deze uitspraak dat asielzoekers met rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw 2000 een hogere drempel hebben om een spoedeisend belang aannemelijk te maken bij een verzoek om voorlopige voorziening.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een asielzoeker de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen hangende zijn hoger beroep in een asielprocedure. Concreet vroeg hij om een verbod op uitzetting en om toekenning van opvang en verstrekkingen totdat op het hoger beroep zou zijn beslist. De centrale juridische vraag was of verzoeker een voldoende spoedeisend belang had om een voorlopige voorziening te rechtvaardigen. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. De kern van de redenering is dat verzoeker op grond van artikel 8, aanhef en onder f, onderdeel 2, van de Vreemdelingenwet 2000 in afwachting van de beslissing op zijn asielaanvraag reeds rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Nu dit rechtmatig verblijf een onmiddellijke uitzetting verhindert, ontbreekt het acute gevaar dat een voorlopige voorziening beoogt te keren. Zonder spoedeisend belang is er geen grondslag voor het treffen van een ordemaatregel. Het verzoek wordt dan ook afgewezen. De minister behoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is strikt procedureel van aard: de voorzieningenrechter treedt niet in de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag of het hoger beroep. Voor de verzoeker heeft de uitspraak beperkte directe gevolgen, omdat zijn rechtmatig verblijf op basis van de wet reeds bescherming biedt tegen uitzetting. De zaak illustreert de vaste jurisprudentielijn dat de aanwezigheid van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw 2000 in de regel aan het aannemen van een spoedeisend belang in de weg staat en bevestigt daarmee bestaand recht zonder nieuwe rechtsontwikkeling.