Kennisgeving telt mee voor proceskostenvergoeding bij gegrond vrijheidsontnemingsberoep
ECLI:NL:RVS:2026:4970, Raad van State, 28-08-2026, BRS.26.004173
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 24 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling bestreed een vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank veroordeelde de minister in de proceskosten. De minister ging in hoger beroep tegen de proceskostenveroordeling, specifiek over de vraag of een kennisgeving een punt oplevert bij proceskostenvergoeding.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat uit RvS 25 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4927) volgt dat na de wetswijziging van artikel 94 lid 1 Vw 2000 per 12 juni 2026 een kennisgeving inderdaad een punt voor proceskostenvergoeding oplevert bij een gegrond beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel.
Impactscore
LaagDe uitspraak past een reeds door de Afdeling op 25 augustus 2026 gestelde lijn toe en heeft beperkte zelfstandige rechtsvormende waarde; de impact is voornamelijk bevestigend en beperkt tot de proceskosten in vreemdelingenbewaringszaken.
Belangrijkste punten
- 1Na wijziging van artikel 94 lid 1 Vw 2000 per 12 juni 2026 levert een kennisgeving een punt op voor proceskostenvergoeding als het beroep gegrond is.
- 2De Afdeling past de verkorte motivering van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: het hogerberoepschrift bevat geen rechtsvragen van algemeen belang.
- 3Wegingsfactor 'gemiddeld' (factor 1) toegepast in plaats van 'licht' (0,5), omdat het hoger beroep niet van eenvoudige aard is.
- 4De omstandigheid dat zowel het hogerberoepschrift als de schriftelijke uiteenzetting dateren van vóór de richtinggevende uitspraak van 25 augustus 2026 speelt mee bij de wegingsfactor.
- 5De minister wordt veroordeeld tot € 934,00 aan proceskosten voor het hoger beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn uit RvS 25 augustus 2026 dat de wetswijziging van artikel 94 lid 1 Vw 2000 per 12 juni 2026 meebrengt dat kennisgevingen punten opleveren in de proceskostenvergoeding bij gegronde vrijheidsontnemingszaken. Dit biedt duidelijkheid voor de rechtspraktijk in vreemdelingenbewaring.
Praktische impact
Ministers en advocaten in bewaringszaken weten nu dat kennisgevingen na 12 juni 2026 standaard meewegen bij de proceskostenvergoeding, wat de vergoeding voor rechtsbijstandverleners verhoogt bij gegronde beroepen.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenrechtelijke bewaringsprocedures leidt deze uitspraak tot hogere proceskostenvergoedingen voor betrokkenen wier beroep gegrond wordt verklaard, wat de rechtsbescherming bij vrijheidsontneming versterkt.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betreft een hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een proceskostenveroordeling door de rechtbank in een vreemdelingenbewaringszaak. De enige grief van de minister richtte zich op de rechtsvraag of voor een kennisgeving een punt voor proceskostenvergoeding kan worden toegekend wanneer het beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel gegrond is verklaard. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend, onder verwijzing naar haar uitspraak van 25 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4927). Die uitspraak volgde op de wijziging van artikel 94 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000, die op 12 juni 2026 in werking trad. Na deze wetswijziging levert een kennisgeving in bewaringzaken dus wel degelijk een te vergoeden proceskostenpunt op bij een gegrond beroep. De Afdeling past de verkorte motiveringsregel van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Ook Unierechtelijke vragen zijn niet aan de orde. Bij het vaststellen van de wegingsfactor voor de proceskosten in hoger beroep wijkt de Afdeling af van factor 'licht' (0,5) en past zij factor 'gemiddeld' (1) toe. Reden hiervoor is dat het hoger beroep, hoewel beperkt tot de proceskostenveroordeling, niet van eenvoudige aard is. De Afdeling betrekt daarbij dat zowel het hogerberoepschrift als de schriftelijke uiteenzetting dateren van vóór de richtinggevende uitspraak van 25 augustus 2026, zodat partijen destijds nog geen duidelijkheid hadden over de rechtsvraag. De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 934,00 aan proceskosten voor het hoger beroep.