JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4967Laag12/100

Hoger beroep vreemdeling niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

ECLI:NL:RVS:2026:4967, Raad van State, 27-08-2026, BRS.26.004228

Raad van StateUitspraak: 27 augustus 2026Publicatie: 25 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.004228
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Niet Ontvankelijk
Voorlopige Voorziening
Vreemdelingenwet
Bahaddar
Hogerberoep

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 10 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak en verzocht tevens een voorlopige voorziening. In het hoger beroepschrift werd echter niet uitgelegd waarom de rechtbankuitspraak onjuist zou zijn.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen, omdat appellant heeft nagelaten te onderbouwen waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist is (artikel 85 Vw 2000). Er waren geen Bahaddar-omstandigheden aanwezig die een uitzondering rechtvaardigden.

12van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een standaardtoepassing van artikel 85 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitkomst is in lijn met vaste jurisprudentie en heeft geen bredere precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Hoger beroep voldoet niet aan de motiveringseis van artikel 85 Vw 2000: geen grieven gericht tegen de rechtbankuitspraak
  • 2Geen Bahaddar-omstandigheden aanwezig die een inhoudelijke beoordeling ondanks het vormgebrek zouden rechtvaardigen
  • 3Niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep leidt automatisch tot afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening
  • 4Geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de minister
  • 5Uitspraak betreft een vreemdelingenzaak waarbij de inhoudelijke asielbeoordeling niet aan de orde komt

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat hoger beroepen in vreemdelingenzaken die geen concrete grieven bevatten tegen de rechtbankuitspraak niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 85 Vw 2000, tenzij Bahaddar-omstandigheden aanwezig zijn.

Praktische impact

Voor de appellant betekent dit dat zijn verblijfspositie ongewijzigd blijft en hij geen rechtsbescherming via dit hoger beroep heeft verkregen; de afwijzing van de voorlopige voorziening laat een eventuele uitzetting ongehinderd.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenprocedures onderstreept deze uitspraak het belang van een deugdelijk gemotiveerd hoger beroepschrift; ontbreken van grieven heeft directe en fatale procesrechtelijke gevolgen.

Samenvatting

In deze vreemdelingenzaak bij de Raad van State had appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank en daarbij tevens verzocht om een voorlopige voorziening. De kern van de zaak was of het hoger beroep inhoudelijk beoordeeld kon worden. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellant in het hoger beroepschrift op geen enkele wijze had uitgelegd waarom de uitspraak van de rechtbank naar zijn mening onjuist was. Op grond van artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 is een dergelijke motivering een vereiste voor ontvankelijkheid: het hogerberoepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Nu die ontbraken, was inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep niet mogelijk. De voorzieningenrechter toetste vervolgens of sprake was van zogenoemde Bahaddar-omstandigheden, dat wil zeggen uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de Afdeling toch inhoudelijk zou moeten oordelen om een reëel risico op schending van fundamentele rechten te voorkomen. Verwezen werd naar de leidende uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1664). Dergelijke omstandigheden werden in dit geval niet aanwezig geacht. Als gevolg van de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep ontbeerde het verzoek om voorlopige voorziening zijn grondslag, en werd dit verzoek eveneens afgewezen. Een proceskostenveroordeling bleef achterwege. De uitspraak illustreert de strikte toepassing van de motiveringseis in het vreemdelingenrecht en benadrukt dat appellanten concrete bezwaren moeten formuleren tegen de aangevochten uitspraak, bij gebreke waarvan toegang tot de rechter in hoger beroep wordt geblokkeerd.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen