JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4955Laag8/100

Hoger beroep vreemdeling niet-ontvankelijk na vertrek met onbekende bestemming

ECLI:NL:RVS:2026:4955, Raad van State, 26-08-2026, BRS.26.003933

Raad van StateUitspraak: 26 augustus 2026Publicatie: 24 augustus 2026
Procedure:Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zaaknummer:BRS.26.003933
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Niet Ontvankelijk
Voorlopige Voorziening
Procesbelang
Vertrek Onbekende Bestemming
Vreemdeling

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 8 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling had hoger beroep ingesteld bij de Raad van State in een zaak waarbij bescherming in Nederland werd gezocht. De minister deelde mee dat appellant met onbekende bestemming was vertrokken en de gemachtigde had geen contact meer met hem.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat appellant geen procesbelang meer heeft omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken en kennelijk niet langer bescherming in Nederland zoekt.

8van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een routinebeslissing op basis van het ontbreken van procesbelang; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitkomst is in lijn met vaste jurisprudentie.

Belangrijkste punten

  • 1Appellant is met onbekende bestemming vertrokken; gemachtigde heeft geen contact meer met hem
  • 2Vertrek met onbekende bestemming leidt tot het oordeel dat appellant niet langer bescherming in Nederland zoekt
  • 3Zonder (proces)belang is hoger beroep niet-ontvankelijk
  • 4Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen als gevolg van niet-ontvankelijkheid hoger beroep
  • 5Geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de minister

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat een procesbelang vereist is voor ontvankelijkheid van hoger beroep in vreemdelingenzaken en dat vertrek met onbekende bestemming dit belang in beginsel doet vervallen. Dit is een routinematige toepassing van het belangvereiste in het bestuursrechtelijk procesrecht.

Praktische impact

Voor vreemdelingen betekent dit dat vertrek uit Nederland tijdens een lopende procedure vrijwel automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep; gemachtigden dienen bij verlies van contact met hun cliënt dit tijdig aan de rechter te melden.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak dat de rechter actief toetst of nog sprake is van een reëel belang bij voortzetting van de procedure, en dat signalen van vertrek of onbereikbaarheid direct processuele consequenties hebben.

Samenvatting

In deze zaak had een vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in verband met het zoeken van bescherming in Nederland. Tijdens de procedure deelde de minister mee dat appellant met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde van appellant bevestigde geen contact meer met hem te hebben. De centrale juridische vraag was of appellant nog procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep. Het procesbelangvereiste houdt in dat een appellant daadwerkelijk baat moet hebben bij de gevraagde rechterlijke beslissing. Zonder reëel belang is ontvankelijkheid van een rechtsmiddel niet mogelijk. De voorzieningenrechter oordeelde dat het vertrek van appellant met onbekende bestemming, in combinatie met het feit dat zijn eigen gemachtigde geen contact meer met hem had, de conclusie rechtvaardigt dat appellant niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarmee is het belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep komen te vervallen. Op grond hiervan verklaarde de voorzieningenrechter het hoger beroep niet-ontvankelijk. Als logisch gevolg daarvan werd ook het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, omdat dit verzoek het lot van het hoger beroep volgt. De minister werd niet veroordeeld in de proceskosten. Deze uitspraak is inhoudelijk weinig verrassend en betreft een standaardtoepassing van het procesbelangvereiste in het vreemdelingenrecht. De uitkomst illustreert echter wel het praktische belang voor gemachtigden om de rechter tijdig te informeren wanneer contact met een cliënt is verbroken, en voor vreemdelingen om zich bewust te zijn van de processuele gevolgen van vertrek tijdens een lopende procedure.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 6 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen