Minister veroordeeld in proceskosten bij niet-tijdig beslissen
ECLI:NL:RVS:2026:4953, Raad van State, 26-08-2026, BRS.25.002453
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 11 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen buiten behandeling gesteld.
Kern van de zaak
Appellanten (vreemdelingen) stelden hoger beroep in bij de Raad van State nadat de minister niet tijdig een besluit op bezwaar had genomen. De rechtbank had het beroep niet-tijdig deels niet-ontvankelijk verklaard maar dit niet opgenomen in het dictum, en verzuimd de minister te veroordelen in de proceskosten van het beroep niet-tijdig.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart de eerste grief gegrond: de minister had door de rechtbank moeten worden veroordeeld in de proceskosten van het beroep niet-tijdig, nu vaststaat dat de minister niet tijdig besliste, appellanten een geldige ingebrekestelling stuurden en de minister pas na het instellen van beroep besloot. De overige grieven leiden niet tot vernietiging.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen bestaande jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2023:776) en stelt geen nieuwe rechtsregels. De impact is beperkt tot toepassing van vaste procesrechtelijke regels in een individuele vreemdelingenzaak.
Belangrijkste punten
- 1De rechtbank handelde in strijd met artikel 8:77 lid 1 onder c Awb door het dictum onvolledig te formuleren (niet-ontvankelijkverklaring beroep niet-tijdig ontbrak in de beslissing).
- 2Bij niet-tijdig beslissen na geldige ingebrekestelling en na instellen van beroep dient de minister in de proceskosten van het beroep niet-tijdig te worden veroordeeld.
- 3Grieven 2 en 3 worden verworpen zonder nadere motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000, nu zij geen vragen betreffen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
- 4Grief 4 wordt eveneens verworpen met verwijzing naar eerdere Afdelingsjurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2025:5638).
- 5De Afdeling oordeelt ambtshalve over de formele gebreken in de uitspraak van de rechtbank.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat proceskosten in beroep niet-tijdig moeten worden toegewezen wanneer alle wettelijke voorwaarden (niet-tijdig beslissen, geldige ingebrekestelling, instellen beroep vóór alsnog beslissen) zijn vervuld. Tevens wordt gewezen op de verplichting tot een volledig dictum conform artikel 8:77 Awb.
Praktische impact
Appellanten ontvangen alsnog een proceskostenveroordeling ten laste van de minister voor de behandeling van het beroep niet-tijdig. Bestuursorganen worden herinnerd aan het belang van tijdige besluitvorming om proceskostenveroordeling te voorkomen.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken onderstreept deze uitspraak dat ook de minister voor Asiel en Migratie niet aan proceskosten kan ontkomen wanneer hij niet tijdig beslist op bezwaar en appellanten correct gebruik hebben gemaakt van het rechtsmiddel beroep niet-tijdig.
Samenvatting
In deze hogerberoepsprocedure bij de Raad van State klaagden appellanten over een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. De kern van het geschil betrof de gevolgen van het niet-tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door de minister. Appellanten hadden een geldige ingebrekestelling verstuurd en vervolgens beroep niet-tijdig ingesteld. De minister nam pas daarna een besluit op bezwaar. De rechtbank had het beroep niet-tijdig niet-ontvankelijk verklaard (omdat er inmiddels een besluit lag) maar had twee fouten gemaakt: zij had dit oordeel niet opgenomen in het dictum van haar uitspraak, en zij had nagelaten de minister te veroordelen in de proceskosten van het beroep niet-tijdig. De Raad van State overweegt ambtshalve dat de uitspraak van de rechtbank in strijd is met artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep niet-tijdig ontbrak in de beslissing. Verder honoreert de Afdeling de eerste grief van appellanten: nu alle voorwaarden voor een proceskostenveroordeling zijn vervuld — niet-tijdig beslissen, geldige ingebrekestelling en instellen van beroep vóór het alsnog nemen van een besluit — had de rechtbank de minister moeten veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2023:776). De tweede en derde grief worden verworpen zonder nadere motivering op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, nu zij geen vragen bevatten van belang voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, en evenmin vragen over Unierechtelijke uitleg of geldigheid oproepen. De vierde grief stuit af op eerdere Afdelingsjurisprudentie. De uitspraak bevestigt de geldende procesrechtelijke regels over beroep niet-tijdig en de daarbij behorende proceskostenvergoeding.