RvS: Proceskostenvergoeding bij kennisgeving vreemdelingenbewaring toegewezen
ECLI:NL:RVS:2026:4933, Raad van State, 26-08-2026, BRS.26.003899
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 11 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant) ging in hoger beroep omdat de rechtbank hem geen proceskostenvergoeding had toegekend na de opheffing van een maatregel van vreemdelingenbewaring. De rechtbank oordeelde dat de gemachtigde geen vergoedbare proceshandeling had verricht omdat het beroep via doorzending van de kennisgeving tot stand was gekomen.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard en de minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot betaling van € 2.802,00 aan proceskosten. Doorslaggevend is de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4927), waaruit volgt dat na de wetswijziging van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 per 12 juni 2026 voor een kennisgeving een punt proceskostenvergoeding kan worden toegekend als het beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel gegrond is.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past een één dag eerder gevestigde nieuwe lijn toe en heeft praktische betekenis voor de bewaringspraktijk, maar is grotendeels volgend van aard en betreft een beperkt procesrechtelijk punt.
Belangrijkste punten
- 1Na wijziging van art. 94 lid 1 Vw 2000 per 12 juni 2026 levert een doorgezonden kennisgeving een vergoedbaar punt op bij gegrond beroep.
- 2Het beroep in vreemdelingenbewaring is ondeelbaar: proceshandelingen die slechts op een deel van de bewaringsperiode zien, worden toch meegewogen.
- 3Schriftelijk ingediende beroepsgronden zijn een relevante proceshandeling; de rechtbank had deze ten onrechte buiten beschouwing gelaten.
- 4Op grond van de uitspraak van 25 augustus 2026 kan voor de schriftelijke beroepsgronden echter géén afzonderlijk punt meer worden toegekend.
- 5De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot € 2.802,00 proceskosten voor beroep én hoger beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en past de nieuwe lijn toe dat een kennisgeving van vreemdelingenbewaring na de wetswijziging van 12 juni 2026 als vergoedbare proceshandeling geldt, wat de rechtspraktijk inzake proceskostenvergoeding in bewaringszaken direct raakt. Dit vormt een toepassing van een richtinggevende lijn die de Afdeling een dag eerder heeft uitgezet.
Praktische impact
Gemachtigden die optreden in vreemdelingenbewaring kunnen voortaan ook proceskostenvergoeding claimen voor de kennisgeving zelf, zelfs als zij verder geen aanvullende proceshandelingen hebben verricht, mits het beroep gegrond is.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenbewaringszaken leidt deze uitspraak tot een hogere vergoeding van rechtsbijstandskosten ten laste van de staat, wat een financiële prikkel geeft om beroepen zorgvuldig te behandelen.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of een vreemdeling recht heeft op vergoeding van proceskosten nadat zijn beroep tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring (deels) gegrond is verklaard, terwijl het beroep tot stand is gekomen doordat de minister de kennisgeving van de maatregel heeft doorgezonden naar de rechtbank en de gemachtigde zelf geen initiërende proceshandeling heeft verricht. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Roermond) had geoordeeld dat voor de periode die als onrechtmatig was aangemerkt (13 t/m 15 juli 2026) geen vergoedbare proceshandeling was verricht, en dat het verschijnen op de zitting met beroepsgronden uitsluitend betrekking had op de wél rechtmatig geoordeelde periode (11 en 12 juli 2026), zodat proceskostenvergoeding geheel achterwege bleef. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt dit oordeel. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 25 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4927) stelt de Afdeling vast dat na de wijziging van artikel 94, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 per 12 juni 2026 de doorzending van de kennisgeving van bewaring wél als een vergoedbaar punt in het Besluit proceskosten bestuursrecht moet worden aangemerkt, mits het beroep gegrond is. Daarnaast oordeelt de Afdeling dat het beroep ondeelbaar is en dat de rechtbank de door de gemachtigde ingediende schriftelijke beroepsgronden ten onrechte niet als relevante proceshandeling had aangemerkt. Op grond van dezelfde uitspraak van 25 augustus 2026 kan voor die schriftelijke gronden echter geen afzonderlijk punt meer worden toegekend. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot betaling van € 2.802,00 aan proceskosten voor zowel de beroepsprocedure als het hoger beroep, geheel toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand.