Hoger beroep Tata Steel-additief niet-ontvankelijk verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:487, Raad van State, 28-01-2026, 202303749/1/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 23 september 2021 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat de op 13 september 2016 verleende vergunning op grond van de Waterwet van Tata Steel Packaging (Tata Steel) gewijzigd. Tata Steel heeft op 17 september 2021 een aanvraag ingediend om wijziging van de aan haar op 13 september 2016 verleende vergunning op grond van de Waterwet. Aanleiding voor deze aanvraag is dat het vergunde additief RONASTAN, dat Tata Steel gebruikt in het productieproces, niet langer beschikbaar is. Zij wil in plaats daarvan het alternatieve additief QUAKERTIN toepassen. Dit alternatieve additief wordt op dezelfde wijze als het vergunde additief toegepast. De minister heeft bij besluit van 23 september 2021 positief beslist op de aanvraag van Tata Steel. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat Tata Steel met het nieuwe additief voldoet aan de best beschikbare technieken (BBT) conclusies. Met het alternatieve additief zal de aard van de chemische gevolgen volgens de minister niet veranderen en daarmee ook niet de ecologische effecten.
Kern van de zaak
Tata Steel vroeg een wijziging van haar Waterwet-vergunning aan om een alternatief additief (QUAKERTIN) te gebruiken. Stichting IJmondig maakte bezwaar en stelde beroep in. Een voormalig bestuurder van de stichting stelde vervolgens zelfstandig hoger beroep in tegen de rechterlijke uitspraak.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, omdat de appellant als voormalig bestuurder van Stichting IJmondig geen belanghebbende is in de zin van artikel 8:104 lid 1 Awb; uitsluitend de stichting zelf was partij in het eerdere beroep.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande, vaste jurisprudentie toe over ontvankelijkheidsvereisten in het bestuursprocesrecht en stelt geen nieuwe rechtsregels; de inhoudelijke vergunningskwestie wordt niet beoordeeld.
Belangrijkste punten
- 1Alleen een belanghebbende ex artikel 8:104 lid 1 Awb kan hoger beroep instellen tegen een rechterlijke uitspraak
- 2De rechtbank deed uitsluitend uitspraak op het beroep van Stichting IJmondig, niet op een beroep van de individuele appellant
- 3Een (voormalig) bestuurder van een rechtspersoon is niet automatisch zelf procespartij of belanghebbende
- 4De minister had de vergunningswijziging toegestaan op grond van naleving van BBT-conclusies en gelijkblijvende ecologische effecten
- 5De Afdeling toetst de ontvankelijkheid ambtshalve, ongeacht of partijen dit aanvoeren
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het vaste bestuursrechtelijke uitgangspunt dat een bestuurder van een rechtspersoon niet als zelfstandige procespartij geldt wanneer alleen de rechtspersoon in de vorige instantie heeft geprocedeerd. Dit begrenst de toegang tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
Praktische impact
Bestuurders of leden van belangenorganisaties die niet zelf als partij in eerste aanleg zijn opgetreden, kunnen niet alsnog zelfstandig hoger beroep instellen; zij dienen de rechtspersoon zelf beroep te laten instellen of zichzelf tijdig als procespartij te laten erkennen.
Onderwerp-impact
Voor omgevings- en milieugeschillen rondom industriële vergunningen zoals die van Tata Steel betekent dit dat alleen formeel erkende procespartijen de rechtsbescherming in hogere instanties kunnen voortzetten.
Samenvatting
Deze zaak draait om de vraag of een individuele appellant, als voormalig bestuurder van Stichting IJmondig, zelfstandig hoger beroep kan instellen tegen een uitspraak van de rechtbank waarbij alleen de stichting als procespartij optrad. De achterliggende inhoudelijke kwestie betreft een wijziging van de Waterwet-vergunning van Tata Steel: het bedrijf had toestemming gevraagd om het additief RONASTAN te vervangen door het alternatieve additief QUAKERTIN in haar productieproces. De minister verleende deze wijziging op 23 september 2021, met als motivering dat het nieuwe additief voldoet aan de best beschikbare technieken (BBT) en dat de ecologische en chemische gevolgen voor het watersysteem niet wezenlijk zullen veranderen. Stichting IJmondig maakte bezwaar, maar de minister handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van de stichting ongegrond. Vervolgens stelde de voormalig bestuurder van de stichting zelfstandig hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling toetst ambtshalve of de appellant ontvankelijk is. Op grond van artikel 8:104 lid 1 Awb kan uitsluitend een belanghebbende hoger beroep instellen. Omdat de rechtbank alleen uitspraak deed op het beroep van Stichting IJmondig en de appellant als individu geen procespartij was in eerste aanleg, kan hij niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van die bepaling. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. De inhoudelijke beoordeling van de vergunningswijziging blijft daarmee buiten beschouwing. De uitspraak onderstreept het belang van tijdige en correcte procesvertegenwoordiging: wie in hogere instantie wil procederen, moet ook in de vorige instantie als formele procespartij zijn opgetreden, dan wel aantoonbaar een zelfstandig belang hebben dat door de bestreden uitspraak rechtstreeks is geraakt.