Ligplaatsvergunning drijvend terras geweigerd wegens te grote diepte
ECLI:NL:RVS:2026:4851, Raad van State, 19-08-2026, 202505345/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 17 december 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [appellant] om een ligplaatsvergunning voor een drijvend terras afgewezen. Op 24 oktober 2024 heeft [appellant] een aanvraag gedaan voor een ligplaatsvergunning voor een drijvend terras behorend bij zijn woonboot aan de [locatie 1]. Het college heeft de ligplaatsvergunning geweigerd omdat het drijvend terras niet voldoet aan de maximale afmetingen. Het drijvend terras is namelijk 0,9 meter diep, terwijl de diepte op grond van artikel 1 van de Verordening op de Binnenwateren voor de gemeente Den Haag (VOB) maximaal 0,6 meter mag zijn.
Kern van de zaak
Appellant vroeg een ligplaatsvergunning aan voor een drijvend terras bij zijn woonboot in Den Haag. Het college weigerde de vergunning omdat het terras 0,9 meter diep is, terwijl de Verordening op de Binnenwateren een maximum van 0,6 meter voorschrijft. Appellant beriep zich op het gelijkheidsbeginsel door te verwijzen naar buurterrassen die wél zijn toegestaan.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet omdat de terrassen van de buren onder het pre-2012 regime vielen waarin geen maximale diepte gold, terwijl het terras van appellant onder de strengere regels van na 1 juni 2012 valt.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande rechtspraak over het gelijkheidsbeginsel en overgangsrecht toe op een feitelijk specifieke zaak; er worden geen nieuwe rechtsnormen geformuleerd en de reikwijdte is beperkt tot de lokale Haagse verordening.
Belangrijkste punten
- 1Het drijvend terras (0,9 m diep) overschrijdt de maximale diepte van 0,6 m uit artikel 1 VOB Den Haag.
- 2Het gelijkheidsbeginsel slaagt niet: buurterrassen vielen onder pre-2012 regelgeving zonder dieptebeperking.
- 3Appellant stelde dat zijn terras (een betonnen bak van een oude woonboot) vóór 2012 al aanwezig was, maar dit argument kon de uitkomst niet keren.
- 4Luchtfoto's uit 2012, 2014 en 2015 toonden aan dat de buren na 2012 een drijvend terras hebben geplaatst, maar dit hielp appellant niet voldoende om gelijkstelling af te dwingen.
- 5Het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb werd afgewezen bij gebrek aan een onrechtmatig besluit.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat het gelijkheidsbeginsel geen bescherming biedt wanneer vergelijkbare objecten onder een ander (ouder) juridisch regime vallen, en dat overgangsrecht de behandeling van gelijke gevallen rechtmatig kan differentiëren.
Praktische impact
Woonbootbewoners in Den Haag die na 1 juni 2012 een drijvend terras plaatsen of hebben geplaatst, zijn gebonden aan de strikte maatvoeringseisen van de huidige VOB en kunnen zich niet succesvol beroepen op situaties die onder het oude, soepelere regime zijn ontstaan.
Onderwerp-impact
Voor de regulering van binnenwateren en woonbooteigenaren maakt deze uitspraak duidelijk dat overgangsbepalingen in verordeningen stevige rechtsgevolgen hebben en dat rechtsongelijkheid door overgangssituaties door de rechter als gerechtvaardigd wordt beschouwd.
Samenvatting
In deze zaak stond de weigering van een ligplaatsvergunning voor een drijvend terras bij een woonboot in Den Haag centraal. Appellant had in oktober 2024 een aanvraag ingediend bij het college van burgemeester en wethouders, maar de vergunning werd geweigerd omdat zijn drijvend terras 0,9 meter diep is, terwijl de Verordening op de Binnenwateren (VOB) een maximale diepte van 0,6 meter toestaat. Appellant tekende bezwaar en beroep aan, en voerde met name aan dat zijn situatie gelijk was aan die van nabijgelegen buurterrassen die wél zijn toegestaan, zodat het gelijkheidsbeginsel zou moeten leiden tot verlening van de vergunning. De rechtbank wees het beroep af. In hoger beroep bij de Raad van State herhaalde appellant zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel, en onderbouwde dit met luchtfoto's waaruit zou blijken dat de buurterrassen eveneens na 2012 zijn geplaatst. Tevens stelde appellant dat zijn terras was samengesteld uit een betonnen bak van een oude woonboot die al vóór 2012 in Den Haag aanwezig was. De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De kern van de redenering is dat de buurterrassen — hoewel deels ook na 2012 geplaatst — onder het overgangsregime van de voor 1 juni 2012 geldende verordening vielen, waarin geen maximale dieptebeperking was opgenomen. Appellants terras valt daarentegen volledig onder de na 2012 geldende, strengere regels. Van gelijke gevallen is juridisch geen sprake, zodat het college niet verplicht was appellant op gelijke wijze te behandelen als zijn buren. Het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb wordt eveneens afgewezen, nu geen sprake is van een onrechtmatig besluit. De uitspraak illustreert dat overgangsrecht bij verordeningen gerechtvaardigde ongelijkheid kan creëren die door de bestuursrechter wordt gerespecteerd.