Omgevingsvergunning bijgebouw recreatiewoning terecht geweigerd
ECLI:NL:RVS:2026:4848, Raad van State, 19-08-2026, 202406042/1/R2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Altena de aanvraag van [appellanten] voor een omgevingsvergunning voor een bijgebouw aan de [locatie] afgewezen. [appellanten] hebben in 2017 de recreatiewoning en het perceel aan de [locatie] aangekocht. In 2022 hebben zij de planken van het houten platform en het bijgebouw vervangen. Zij hebben bij het college een legaliserende aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor dat bijgebouw. Deze aanvraag is door het college afgewezen. De rechtbank heeft in haar uitspraak ten eerste gekeken of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet past binnen het geldende bestemmingsplan. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat zij bij de aankoop van het perceel navraag hebben gedaan bij de gemeente of zij bekend zijn met eventuele onregelmatigheden.
Kern van de zaak
Appellanten kochten in 2017 een recreatiewoning en vervingen in 2022 planken van een houten platform en een bijgebouw. Zij vroegen een legaliserende omgevingsvergunning aan voor het bijgebouw, maar het college wees deze aanvraag af wegens strijd met het bestemmingsplan.
Beslissing van de rechter
De Raad van State beoordeelt de weigering van de omgevingsvergunning; de doorslaggevende reden is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan (artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo), waardoor het college geen ruimte heeft voor een belangenafweging en de vergunning moet weigeren. De uitspraak is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing niet met zekerheid kan worden vastgesteld.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaand recht toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de onvolledigheid van de tekst beperkt bovendien de mogelijkheid tot een volledige beoordeling van de juridische impact.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 is ingediend (25 februari 2023), blijft de Wabo van toepassing.
- 2Toetsingskader artikel 2.10 Wabo biedt geen ruimte voor belangenafweging bij de activiteit 'bouwen': aanwezigheid van één weigeringsgrond verplicht tot weigering.
- 3Strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.10, eerste lid, onder c) leidt automatisch tot aanmerking als aanvraag voor afwijking bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c).
- 4Bij afwijking van het bestemmingsplan heeft het college wél beleidsruimte en moet het belangen afwegen.
- 5De tekst van de uitspraak is onvolledig; de definitieve uitkomst van het hoger beroep is niet volledig weergegeven.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet en het gebonden karakter van de toetsing aan artikel 2.10 Wabo. Dit biedt weinig nieuws maar verduidelijkt de samenloop tussen de bouwactiviteit en de afwijkingsbevoegdheid.
Praktische impact
Eigenaren van recreatiewoningen die zonder vergunning bouwwerken hebben opgericht of vervangen, kunnen niet rekenen op een legaliserende vergunning als het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, tenzij het college gebruikmaakt van de afwijkingsbevoegdheid.
Onderwerp-impact
Voor de recreatieve vastgoedsector benadrukt deze zaak het belang van tijdige vergunningaanvraag en toetsing aan het bestemmingsplan voorafgaand aan bouwwerkzaamheden aan bijgebouwen op recreatiepercelen.
Samenvatting
In deze zaak bij de Raad van State gaat het om appellanten die in 2017 een recreatiewoning met perceel hebben aangekocht en in 2022 planken van een houten platform en een bijgebouw hebben vervangen. Zij dienden op 25 februari 2023 een legaliserende aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor het bijgebouw. Het college wees deze aanvraag af, waarna appellanten in beroep en vervolgens in hoger beroep zijn gegaan. Een centrale kwestie is het toepasselijke recht: omdat de aanvraag vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ingediend, blijft op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet de Wabo van toepassing tot de beslissing op de aanvraag onherroepelijk is. De Raad van State stelt het toetsingskader vast aan de hand van artikel 2.10, eerste lid, Wabo. Dit artikel heeft een gebonden karakter: als één van de weigeringsgronden aanwezig is, moet de vergunning worden geweigerd zonder ruimte voor een belangenafweging. In dit geval is de weigeringsgrond van strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c) aan de orde. Op grond van artikel 2.10, tweede lid, Wabo wordt de aanvraag in dat geval tevens aangemerkt als een aanvraag voor een afwijking van het bestemmingsplan. Bij die beoordeling heeft het college wél beleidsruimte en dient het de betrokken belangen af te wegen. De uitspraak is onvolledig aangeleverd, waardoor de definitieve uitkomst van het hoger beroep niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De uitspraak past bestaand recht toe en heeft een beperkte precedentwaarde, maar benadrukt voor eigenaren van recreatiewoningen het belang van voorafgaande toetsing aan het bestemmingsplan bij bouwwerkzaamheden.