Raad van State: minister hoeft geen nader onderzoek dienstplicht Algerije
ECLI:NL:RVS:2026:4823, Raad van State, 18-08-2026, 202407310/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 11 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 27 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Kern van de zaak
Een Algerijnse asielzoeker (geboren 1993) vroeg internationale bescherming in Nederland omdat hij de dienstplicht niet had vervuld en stelde bedreigd te worden door de broers van zijn ex-vriendin. De minister achtte beide asielmotieven ongeloofwaardig en wees het verzoek af. De rechtbank oordeelde dat het besluit onzorgvuldig was en nader onderzoek vereiste.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en vernietigt het oordeel van de rechtbank. Doorslaggevend is dat de minister mocht afgaan op het thematisch ambtsbericht over dienstplicht in Algerije zonder nader onderzoek te verrichten, en dat de verklaringen van betrokkene over de bedreigingen terecht ongeloofwaardig zijn bevonden bij gebrek aan voldoende gedetailleerde onderbouwing.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een individuele asielzaak maar geeft wel duidelijkheid over de samenwerkingsverplichting in relatie tot thematische ambtsberichten, wat relevant is voor vergelijkbare Algerijnse dienstplichtzaken; de principiële reikwijdte is echter beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Minister mocht vertrouwen op het thematisch ambtsbericht van 11 november 2020 over dienstplicht in Algerije zonder verplichting tot actualisering in individuele zaak.
- 2Uit het ambtsbericht blijkt niet dat Algerijnse autoriteiten dienstplichtontduikers consequent vervolgen; betrokkene maakte geen bijzondere vrees aannemelijk.
- 3De samenwerkingsverplichting van de minister verplicht niet tot nader onderzoek als de asielzoeker zelf geen aanvullende gegevens aanlevert die twijfel wekken.
- 4Van betrokkene mocht een uitgebreidere en meer gedetailleerde verklaring over de gestelde bedreigingen door de broers van de ex-vriendin worden verwacht.
- 5Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026, zodat overgangsrechtelijke vragen spelen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van de samenwerkingsverplichting in asielprocedures: de minister hoeft een bestaand thematisch ambtsbericht niet ambtshalve te actualiseren zolang de asielzoeker geen nieuwe of bijzondere informatie aandraagt die nader onderzoek noodzakelijk maakt.
Praktische impact
Asielzoekers uit Algerije die de dienstplicht hebben ontlopen, moeten zelf concrete en gedetailleerde informatie aanleveren waaruit blijkt dat zij persoonlijk vervolging of een verzwaarde dienstplicht riskeren; een algemeen beroep op het ambtsbericht volstaat niet.
Onderwerp-impact
In zaken over dienstplichtonttrekking als asielmotief wordt bevestigd dat algemene risico-informatie uit ambtsberichten niet automatisch leidt tot een individueel vervolgingsrisico; de bewijslast ligt primair bij de asielzoeker.
Samenvatting
Een Algerijnse man (geboren 1993) verzocht in Nederland om internationale bescherming. Hij voerde aan dat hij de dienstplicht niet had vervuld en daarvoor bij terugkeer een gevangenisstraf of verzwaarde dienstplicht te vrezen had. Daarnaast stelde hij bedreigd te worden door de broers van zijn ex-vriendin. De minister achtte beide asielmotieven ongeloofwaardig en wees het verzoek af. De rechtbank oordeelde vervolgens dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen en dat de minister nader onderzoek had moeten verrichten naar de risico's bij terugkeer vanwege de niet-vervulde dienstplicht. De rechtbank baseerde zich daarbij op het thematisch ambtsbericht van 11 november 2020, waaruit zij afleide dat strafrechtelijke vervolging van dienstplichtontduikers niet irreëel was, en wees erop dat dit ambtsbericht inmiddels gedateerd was. De Raad van State stelt de minister echter in het gelijk. De centrale juridische vraag was of de samenwerkingsverplichting van de minister meebrengt dat hij verplicht is tot nader of geactualiseerd onderzoek wanneer een asielzoeker stelt de dienstplicht te hebben ontdoken. De Afdeling oordeelt van niet: de minister mocht afgaan op de informatie uit het bestaande thematisch ambtsbericht, waaruit niet blijkt dat Algerijnse autoriteiten dienstplichtontduikers consequent vervolgen en berechten. Nu betrokkene zelf evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten hem persoonlijk bij terugkeer zullen vervolgen, bestond er geen aanleiding voor nader onderzoek. Ten aanzien van de gestelde bedreigingen door de broers van de ex-vriendin oordeelt de Raad van State dat de minister terecht heeft geëist dat betrokkene uitgebreider en gedetailleerder verklaart, nu deze gestelde bedreigingen de kern van het asielverzoek vormen. Het hoger beroep van de minister slaagt volledig. Op de zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.