Burgemeester Nijmegen wint: café-vergunning terecht ingetrokken
ECLI:NL:RVS:2026:482, Raad van State, 28-01-2026, 202303217/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 7 april 2020 heeft de burgemeester van Nijmegen een vergunning op grond van de Drank- en horecawet voor een horeca-inrichting geweigerd, de op 22 juli 2014 verleende vergunning ingetrokken en aan [appellanten sub 2] een last onder bestuursdwang opgelegd. [appellant sub 2A] is sinds 2014 eigenaar en exploitant van [bedrijf] aan de [locatie] in Nijmegen. Op 22 juli 2014 heeft de burgemeester aan [appellant sub 2A] een vergunning op grond van de DHW verleend. Vanaf 1 juli 2018 vormen [appellanten sub 2] een vennootschap onder firma (geregistreerd op 30 augustus 2018). De vennootschap onder firma heeft op 21 november 2019 een aanvraag ingediend voor een vergunning op grond van de DHW. Op 22 november 2019 heeft een controle in het café plaatsgevonden, waarvan de toezichthouder op 29 november 2019 een proces-verbaal heeft opgesteld. Mede op basis van dit proces-verbaal heeft de burgemeester de vergunning van 2014 ingetrokken, de gevraagde vergunning geweigerd en een last onder bestuursdwang opgelegd. De last houdt in dat het café per 1 mei 2020 moet sluiten.
Kern van de zaak
De eigenaren van een café in Nijmegen kregen in 2020 hun DHW-vergunning ingetrokken, een nieuwe vergunning geweigerd en een sluitingslast opgelegd. Zij gingen in beroep en hoger beroep tegen deze besluiten van de burgemeester van Nijmegen.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de burgemeester gegrond en het hoger beroep van de café-eigenaren ongegrond; het beroep tegen het intrekkingsbesluit is ongegrond. De doorslaggevende reden is dat de burgemeester op basis van een controle en proces-verbaal uit 2019 terecht heeft gehandeld, maar kent wél een schadevergoeding toe vanwege een vernietigd besluit uit 2023.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk en casuïstisch geschil over intrekking van een DHW-vergunning van één horecaondernemer zonder bredere rechtsontwikkeling; de uitkomst is praktisch beperkt tot de betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1Burgemeester trok DHW-vergunning in, weigerde nieuwe vergunning en legde sluitingslast op na controle in november 2019
- 2Café-eigenaren hadden procesbelang ondanks overdracht café aan nieuwe ondernemer, omdat zij schade hebben geleden door het besluit
- 3Hoger beroep burgemeester gegrond: rechtbankuitspraak vernietigd, beroep café-eigenaren alsnog ongegrond verklaard
- 4Besluit van 8 juni 2023 (vermoedelijk beslissing op bezwaar) vernietigd door de Raad van State
- 5Schadevergoeding van (minimaal) €100 toegekend aan de café-eigenaren wegens het vernietigde besluit van 2023
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat procesbelang reeds bestaat bij aannemelijke schade door een bestuursrechtelijk besluit, ook na feitelijk verlies van de exploitatie. De vernietiging van het besluit van 8 juni 2023 leidt tot een schadevergoedingsverplichting voor de burgemeester.
Praktische impact
De café-eigenaren moeten de sluiting als rechtmatig aanvaarden, maar ontvangen een schadevergoeding voor het onrechtmatige besluit van 2023. De burgemeester van Nijmegen dient dit bedrag te betalen.
Onderwerp-impact
Voor horecaondernemers verduidelijkt deze uitspraak dat een overgedragen exploitatie niet automatisch procesbelang wegneemt zolang er schade is geleden door bestuursbesluiten.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Raad van State betreft het hoger beroep rondom de intrekking van een Drank- en Horecawetvergunning van een café in Nijmegen. De eigenaren exploiteerden het café sinds 2014 en waren in 2018 een vennootschap onder firma aangegaan. Na een controle in november 2019 trok de burgemeester de vergunning in, weigerde een nieuwe vergunning en legde een last onder bestuursdwang op, die inhield dat het café per 1 mei 2020 moest sluiten. De rechtbank had eerder in het voordeel van de café-eigenaren geoordeeld, waarna zowel de eigenaren als de burgemeester in hoger beroep gingen. Een voorvraag betrof het procesbelang: de burgemeester stelde dat de eigenaren geen belang meer hadden nu een nieuwe ondernemer het pand exploiteert. De Raad van State verwierp dit argument, omdat de eigenaren aannemelijk schade hebben geleden door het intrekkingsbesluit, hetgeen op zichzelf voldoende is voor procesbelang. Inhoudelijk oordeelt de Afdeling dat het hoger beroep van de burgemeester gegrond is. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de café-eigenaren tegen het besluit van 25 november 2020 wordt alsnog ongegrond verklaard. Dit betekent dat de intrekking van de vergunning en de sluitingslast rechtmatig waren. Tegelijkertijd vernietigt de Afdeling het besluit van de burgemeester van 8 juni 2023 — vermoedelijk een latere beslissing op bezwaar of heroverweging — en wijst zij het verzoek om schadevergoeding toe. De burgemeester wordt veroordeeld tot betaling van (minimaal) €100 aan de café-eigenaren wegens dit onrechtmatige besluit. De uitspraak bevestigt de bestuurlijke handhavingsbevoegdheid bij DHW-overtredingen en nuanceert wanneer procesbelang aanwezig is bij overgedragen horecaexploitaties.