Hoger beroep vreemdeling over landeninformatie ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4793, Raad van State, 18-08-2026, BRS.26.003664
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 12 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 10 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Een vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State en vroeg tevens een voorlopige voorziening. Hij betoogde dat de rechtbank in eerste aanleg ten onrechte door hem overgelegde landeninformatie buiten beschouwing had gelaten bij de beoordeling van zijn zaak.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat de overgelegde landeninformatie het inhoudelijke oordeel van de rechtbank niet weerlegt en dus niet tot een ander resultaat zou leiden.
Impactscore
LaagDe zaak is afgedaan met een verkorte motivering op grond van art. 91 lid 2 Vw 2000 en stelt geen nieuwe rechtsregels. De uitkomst is sterk feitelijk bepaald en heeft geen brede precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Appellant slaagde er niet in het inhoudelijke oordeel van de rechtbank te weerleggen met de nieuw overgelegde landeninformatie.
- 2De abstracte rechtsvraag of de rechter in eerste aanleg altijd eigen onderzoek naar landeninformatie moet doen, hoefde niet beantwoord te worden omdat dit niet noodzakelijk was voor de beslechting van het geschil.
- 3De Afdeling zag geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, onder verwijzing naar de Cilfit-doctrine en de arresten Consorzio Italian Management en Remling.
- 4De uitspraak is afgedaan met toepassing van art. 91 lid 2 Vw 2000 (verkorte motivering), nu het hogerberoepschrift geen vragen bevat die het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming dienen.
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat het enkel overleggen van aanvullende landeninformatie in hoger beroep onvoldoende is als het inhoudelijke oordeel van de rechtbank daarmee niet wordt weerlegd. De abstracte vraag naar de onderzoeksplicht van de rechter ten aanzien van landeninformatie blijft vooralsnog onbeantwoord.
Praktische impact
Voor de appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat zijn hoger beroep faalt en zijn verzoek om schorsing van het rechtsgevolg van de bestreden beslissing wordt afgewezen; hij kan geen aanspraak maken op vergoeding van proceskosten door de minister.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken onderstreept deze uitspraak dat aanvullende landeninformatie in hoger beroep alleen relevant is als deze het inhoudelijke oordeel van de lagere rechter daadwerkelijk ondergraaft, anders draagt zij niet bij aan een andere uitkomst.
Samenvatting
In deze vreemdelingenzaak heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 18 augustus 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep, gecombineerd met een verzoek om voorlopige voorziening. De appellant, een vreemdeling, betoogde dat de rechtbank in eerste aanleg een fout had gemaakt door door hem overgelegde landeninformatie niet in haar beoordeling te betrekken. De centrale juridische vraag was of het niet betrekken van die informatie het oordeel van de rechtbank onjuist maakte, en of de rechter in eerste aanleg in alle vreemdelingenzaken verplicht is zelfstandig onderzoek te doen naar landeninformatie. De Afdeling verwierp het betoog van appellant. Hoewel de overgelegde landeninformatie in hoger beroep wel werd meegenomen in de beoordeling, leidde dit niet tot een ander oordeel, omdat appellant met die informatie het inhoudelijke oordeel van de rechtbank niet had weerlegd. Het is dus onvoldoende om aanvullende stukken over te leggen; deze moeten ook daadwerkelijk de dragende motivering van de rechtbank ondergraven. De bredere rechtsvraag — of de rechter in eerste aanleg steeds gehouden is zelf onderzoek te doen naar landeninformatie — hoefde de Afdeling niet te beantwoorden, nu de beantwoording ervan niet noodzakelijk was voor de oplossing van dit concrete geschil. Om dezelfde reden bestond er geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, conform de Cilfit-doctrine. De uitspraak is afgedaan met een verkorte motivering op grond van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000, omdat het hogerberoepschrift geen vragen opwerpt die het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming dienen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak is bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.