Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens kansloosheid
ECLI:NL:HR:2026:1589, Hoge Raad, 02-10-2026, 25/00370
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.
Kern van de zaak
Een partij stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 19 december 2024 (nr. 23/123). De inhoud van het geschil is uit de uitspraak niet volledig kenbaar, maar het betreft vermoedelijk een belastingzaak gezien de samenstelling van de kamer (belastingkamer Hoge Raad). Het cassatieberoep werd tevens gekenmerkt door onbetaald griffierecht, mogelijk wegens betalingsonmacht.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a Wet RO, omdat het cassatieberoep klaarblijkelijk niet kan slagen. De vraag of het onbetaald laten van het griffierecht verschoonbaar is wegens betalingsonmacht laat de Hoge Raad om proceseconomische redenen uitdrukkelijk in het midden.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a Wet RO zonder nieuwe rechtsontwikkeling. De uitspraak is individueel van aard en stelt geen richtinggevende normen.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van art. 80a Wet RO: versnelde afdoening zonder nadere motivering bij klaarblijkelijk kansloos cassatieberoep
- 2De Hoge Raad laat de vraag over verschoonbaarheid van onbetaald griffierecht wegens betalingsonmacht bewust open om proceseconomische redenen
- 3Geen proceskostenveroordeling uitgesproken
- 4De inhoudelijke klachten zijn door de Hoge Raad beoordeeld doch te licht bevonden voor verdere behandeling
- 5De samenstelling van de kamer (Van Hilten, Punt, Fierstra) wijst op de belastingkamer van de Hoge Raad
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de standaardtoepassing van art. 80a Wet RO als filtermechanisme bij klaarblijkelijk kansloze cassatieberoepen en stelt geen nieuwe rechtsnormen. De bewuste openlatingsoverweging over griffierecht en betalingsonmacht heeft geen precedentwerking maar illustreert de proceseconomische aanpak van de Hoge Raad.
Praktische impact
Voor de casserende partij betekent dit het definitieve einde van de procedure zonder inhoudelijke heroverweging van de zaak. Omdat de Hoge Raad de betalingsonmachtvraag open laat, heeft de partij geen duidelijkheid over haar processuele rechten bij financiële onmacht.
Onderwerp-impact
De uitspraak heeft geen bijzondere sectorspecifieke impact; de zaak is procedureel van aard en raakt primair het procesrecht rondom cassatiedrempels en griffierecht.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 2 oktober 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure gericht tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 19 december 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:3594). De inhoud van het onderliggende geschil is uit de gepubliceerde tekst niet volledig kenbaar; de samenstelling van de kamer — bestaande uit vice-president Van Hilten en raadsheren Punt en Fierstra — duidt op behandeling door de belastingkamer van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de cassatieklachten inhoudelijk beoordeeld en is, na de procureur-generaal in de gelegenheid te hebben gesteld advies uit te brengen, tot de conclusie gekomen dat het cassatieberoep klaarblijkelijk niet kan slagen. Op grond hiervan maakt de Hoge Raad gebruik van de bevoegdheid neergelegd in artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren. Dit artikel fungeert als procedureel filtermechanisme om de Hoge Raad te ontlasten van kansloze zaken. Een bijzonder processueel aspect betreft het onbetaald blijven van het voor het cassatieberoep verschuldigde griffierecht. De eisende partij had mogelijk een beroep gedaan op betalingsonmacht als verschoningsgrond. De Hoge Raad laat deze vraag echter uitdrukkelijk en bewust in het midden, uitsluitend om redenen van proceseconomie: nu het cassatieberoep reeds op inhoudelijke gronden niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat geen noodzaak om de griffierechtproblematiek te beslechten. Een proceskostenveroordeling wordt niet uitgesproken. De uitspraak is procedureel van aard, bevestigt de bestaande praktijk rondom art. 80a Wet RO en heeft geen richtinggevende betekenis voor de rechtsontwikkeling.