JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1598Middel38/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1598, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01118

Hoge RaadUitspraak: 2 oktober 2026Publicatie: 2 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01118
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Belanghebbende weigerde het griffierecht te betalen en betoogde dat de voorafgaande heffing van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet is voldaan. Het argument dat voorafgaande griffierechtbetaling in strijd is met het EU-Handvest wordt verworpen onder verwijzing naar HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, en er bestaat geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

38van 100

Impactscore

Middel

Het arrest heeft beperkte zelfstandige rechtsvorming nu het expliciet voortbouwt op HR 12 juni 2026; het bevestigt wel een belangrijke procedurele lijn die relevant is voor alle belastingplichtige cassatiepartijen die de griffierechtplicht betwisten.

Belangrijkste punten

  • 1Niet-betaling van griffierecht binnen de gestelde termijn leidt tot niet-ontvankelijkheid op grond van art. 8:41 lid 6 Awb.
  • 2Belanghebbende betoogde dat voorafgaande griffierechtbetaling in strijd is met art. 47 jo. art. 52 van het EU-Handvest; de Hoge Raad verwerpt dit verweer.
  • 3De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de verenigbaarheid van het Nederlandse griffierechtregime met het EU-Handvest.
  • 4De Hoge Raad verwijst voor de motivering naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), wat duidt op een vaste lijn in de rechtspraak.
  • 5Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Impactanalyse

Juridische impact

Dit arrest bevestigt en consolideert de lijn uit HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) dat het Nederlandse griffierechtregime niet in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest en dat er geen verplichting bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen hierover. Dit sluit een veelgebruikte ontwijkingsstrategie definitief af.

Praktische impact

Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen, dienen het griffierecht tijdig te voldoen; het verweer dat voorafgaande betaling EU-rechtelijk ontoelaatbaar is, biedt geen soelaas en leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid.

Onderwerp-impact

Voor belastingzaken betekent dit arrest dat de drempel van het griffierecht als ontvankelijkheidseis in cassatie onverkort geldt, ongeacht Unierechtelijke bezwaren van de belastingplichtige.

Samenvatting

In deze zaak stelde een belastingplichtige beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 februari 2026. Na ontvangst van een aangetekende brief van de griffier over de verschuldigdheid van griffierecht en de gestelde betalingstermijn van vier weken, bleef betaling uit. Nadat belanghebbende door de griffier in de gelegenheid was gesteld de reden van niet-betaling toe te lichten, voerde hij aan dat de verplichting om vooraf griffierecht te betalen op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 daarvan. Belanghebbende stelde dat een stelsel waarbij griffierecht slechts achteraf wordt geheven bij een ongegrond beroep, evenrediger en daarmee EU-rechtelijk vereist zou zijn. Hij verzocht de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwerpt dit betoog volledig. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelt de Hoge Raad dat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen. Het Nederlandse griffierechtregime, zoals neergelegd in artikel 8:41 Awb, is niet in strijd met het EU-Handvest. Nu het griffierecht niet tijdig is voldaan en het gevoerde verweer geen grond oplevert voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim was, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Een proceskostenveroordeling blijft achterwege. Dit arrest bevestigt een inmiddels vaste rechtspraak van de Hoge Raad en sluit de deur voor belastingplichtigen die via een EU-rechtelijk verweer de griffierechtplicht willen omzeilen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1608

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende cassatiegronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1601

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

18/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1603

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1483

Hoge Raad: niet-recente machtiging leidt terecht tot niet-ontvankelijkheid

58/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied