Toevoeging ingetrokken na overwaarde echtelijke woning boven drempelbedrag
ECLI:NL:RVS:2026:476, Raad van State, 28-01-2026, 202502764/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 1 januari 2024 heeft de raad de aan [appellante] verleende toevoeging ingetrokken. Op 4 februari 2021 heeft [partij] namens [appellante] bij de raad een aanvraag ingediend om toevoeging voor rechtsbijstand voor de echtscheidingsprocedure van [appellante]. Bij besluit van 9 februari 2021 heeft de raad deze aanvraag ingewilligd. Bij aanvraag van 25 september 2023 heeft [partij] de raad verzocht om vergoeding van de door haar verleende rechtsbijstand aan [appellante] en daarbij een financieel resultaat vermeld van € 30.000,00. Bij brief van 21 november 2023 heeft de raad [appellante] geïnformeerd over het voornemen om de toevoeging in te trekken. Hierop heeft [appellante] een zienswijze naar voren gebracht. Bij besluit van 1 januari 2024 heeft de raad de toevoeging ingetrokken. De raad heeft het daartegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Bij de beslissing om de toevoeging in te trekken is volgens de raad leidend dat [appellante] een vordering met betrekking tot een geldsom heeft die boven het drempelbedrag ligt. In de door [appellante] naar voren gebrachte omstandigheden heeft de raad geen zwaarwegende omstandigheden gezien die zich verzetten tegen de vordering.
Kern van de zaak
Een vrouw ontving gefinancierde rechtsbijstand (toevoeging) voor haar echtscheidingsprocedure. Na de echtscheiding ontving zij € 34.495,56 aan overwaarde uit de verkoop van de echtelijke woning. De Raad voor Rechtsbijstand trok de toevoeging met terugwerkende kracht in omdat het financieel resultaat boven het wettelijke drempelbedrag lag.
Beslissing van de rechter
De Raad van State beoordeelt het hoger beroep tegen de intrekking van de toevoeging; de raad voor rechtsbijstand had de toevoeging ingetrokken op grond van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, Wrb omdat de ontvangen overwaarde (€ 34.495,56) het drempelbedrag overschreed. Geen zwaarwegende omstandigheden werden aanwezig geacht die zich tegen de intrekking verzetten. De uitkomst van de hogerberoepsprocedure is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een individuele toepassing van een bekende wettelijke regeling (art. 34g Wrb) in een echtscheidingscontext; hoewel maatschappelijk relevant voor rechtzoekenden in scheiding, stelt de zaak geen nieuw rechtsbeginsel vast. De score is conservatief omdat de volledige uitspraaktekst ontbreekt.
Belangrijkste punten
- 1Toevoeging voor echtscheidingsprocedure werd ingetrokken op grond van artikel 34g lid 1 sub b Wrb na ontvangst van overwaarde
- 2De ontvangen overwaarde van € 34.495,56 werd aangemerkt als een vordering met betrekking tot een geldsom boven het drempelbedrag
- 3Appellante voerde zwaarwegende omstandigheden aan, maar de raad noch de rechtbank achtte deze voldoende zwaarwegend
- 4De intrekking werkt met terugwerkende kracht, wat betekent dat appellante de kosten van rechtsbijstand alsnog zelf moet dragen
- 5De zaak illustreert de spanning tussen de vermogenstoets bij toevoegingen en de positie van echtgenoten die overwaarde ontvangen uit een gedwongen woningverkoop
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 34g Wrb in echtscheidingszaken waarbij overwaarde uit de echtelijke woning als financieel resultaat wordt aangemerkt dat tot intrekking van de toevoeging kan leiden. De drempel voor 'zwaarwegende omstandigheden' blijft hoog.
Praktische impact
Personen die gefinancierde rechtsbijstand ontvangen voor een echtscheiding lopen het risico dat de toevoeging met terugwerkende kracht wordt ingetrokken als zij overwaarde uit de echtelijke woning ontvangen die het drempelbedrag overschrijdt, ook als die overwaarde niet vrij besteedbaar was.
Onderwerp-impact
In familierechtzaken met vermogensrechtelijke componenten (verdeling huwelijksgemeenschap) dienen partijen en hun advocaten nadrukkelijk rekening te houden met de financieel-resultaattoets van de Wrb en tijdig te anticiperen op mogelijke intrekking van de toevoeging.
Samenvatting
In deze zaak bij de Raad van State staat de intrekking van een toevoeging voor gefinancierde rechtsbijstand centraal. Appellante had in 2021 een toevoeging gekregen voor haar echtscheidingsprocedure bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank sprak in oktober 2022 de echtscheiding uit en gelastte de verdeling van de gemeenschappelijke goederen, waarbij bepaald werd dat appellante drie maanden de tijd kreeg om de echtelijke woning over te nemen. Omdat zij de financiering niet rond kreeg, werd de woning op 2 juni 2023 verkocht en ontving appellante een overwaarde van € 34.495,56. Na afronding van de zaak verzocht de rechtsbijstandverlener de Raad voor Rechtsbijstand om vergoeding van de verleende bijstand, met vermelding van een financieel resultaat van € 30.000,00. De raad leidde hieruit af dat appellante een vordering met betrekking tot een geldsom had ontvangen die het wettelijke drempelbedrag overschreed. Op grond van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) trok de raad de toevoeging met terugwerkende kracht in. Appellante maakte bezwaar en voerde zwaarwegende omstandigheden aan, maar de raad verklaarde het bezwaar ongegrond. In hoger beroep bij de Raad van State betwist appellante deze beslissing. De juridische kern van de zaak draait om de vraag of de ontvangen overwaarde uit de gedwongen verkoop van de echtelijke woning kwalificeert als een financieel resultaat in de zin van de Wrb, en of de door appellante aangevoerde omstandigheden als zwaarwegend moeten worden aangemerkt. De uitspraaktekst is echter onvolledig, waardoor de definitieve beslissing van de Raad van State niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare informatie volgt de zaak de gebruikelijke toepassing van de vermogenstoets bij toevoegingen na echtscheidingsprocedures met een positief financieel resultaat.