Toevoeging rechtsbijstand ingetrokken ondanks beperkt financieel resultaat
ECLI:NL:RVS:2026:472, Raad van State, 28-01-2026, 202503035/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 13 april 2022 heeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand de aan [partij] verleende toevoeging ingetrokken. Op 26 augustus 2019 heeft [appellant] namens [partij] bij de raad een aanvraag ingediend om een toevoeging voor rechtsbijstand voor een arbeidsgeschil van [partij]. Bij besluit van 30 augustus 2019 heeft de raad deze aanvraag ingewilligd. Bij vonnis van 12 januari 2022 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant [partij] in het gelijk gesteld en, voor zover hier van belang, de voormalige werkgever van [partij] veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon en de proceskosten van [partij]. De raad heeft bij het besluit van 4 oktober 2022 het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 13 april 2022 herroepen en de aan [partij] verstrekte toevoeging in stand gelaten. De raad heeft vastgesteld dat [partij] naar aanleiding van de gevoerde procedure een geldbedrag van € 16.370,27 heeft gekregen. Dit bedrag ligt boven het drempelbedrag van € 15.873,50 en dit zou in beginsel betekenen dat op grond van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb, de toevoeging wordt ingetrokken.
Kern van de zaak
Een rechtzoekende ([partij]) won een arbeidsgeschil waarbij de werkgever werd veroordeeld tot betaling van achterstallig loon. De Raad voor Rechtsbijstand trok de eerder verleende toevoeging in omdat het ontvangen bedrag boven het wettelijke drempelbedrag lag. [Partij] verzette zich hiertegen via bezwaar en beroep.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is op basis van de beschikbare tekst onvolledig; de weergegeven overwegingen eindigen bij de vaststelling dat het ontvangen bedrag (€ 16.370,27) het drempelbedrag (€ 15.873,50) overschrijdt. Uit de besluitvorming blijkt dat de raad in bezwaar de toevoeging aanvankelijk in stand liet, maar de verdere beoordeling door de Raad van State ontbreekt in de aangeleverde tekst.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele toepassing van een bekende wettelijke regeling (artikel 34g Wrb) zonder aanwijzingen dat de Raad van State nieuwe rechtsnormen stelt; de onvolledige tekst maakt een hogere inschatting onzeker.
Belangrijkste punten
- 1Toevoeging voor rechtsbijstand kan met terugwerkende kracht worden ingetrokken op grond van artikel 34g lid 1 sub b Wrb indien het financiële resultaat het drempelbedrag overschrijdt
- 2Het drempelbedrag bedraagt 50% van het heffingsvrije vermogen ex artikel 9.4a lid 1 sub a Wet IB 2001 (hier € 15.873,50)
- 3Het ontvangen bedrag van € 16.370,27 overschrijdt het drempelbedrag, wat intrekking in beginsel rechtvaardigt
- 4De raad had in bezwaar de toevoeging alsnog in stand gelaten, waarna verdere procedure bij de Raad van State volgde
- 5De tekst is onvolledig; de uiteindelijke beslissing van de Raad van State ontbreekt
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak verduidelijkt de toepassing van de resultaatsbeoordeling bij gesubsidieerde rechtsbijstand: een financieel resultaat net boven het drempelbedrag kan aanleiding zijn voor intrekking, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten. De precieze uitkomst en eventuele nuancering door de Raad van State zijn op basis van de beschikbare tekst niet vast te stellen.
Praktische impact
Voor rechtzoekenden met een (gering) financieel succes in een procedure betekent dit dat de verleende toevoeging alsnog kan worden ingetrokken, ook als het resultaat slechts marginaal boven het drempelbedrag uitkomt. Dit kan leiden tot een aanzienlijke terugbetalingsverplichting of eigen bijdrage.
Onderwerp-impact
Voor arbeidsrechtelijke geschillen waarbij werknemers met een toevoeging procederen over achterstallig loon, is de resultaatsbeoordeling een reëel financieel risico dat de netto-opbrengst van een gewonnen zaak sterk kan beïnvloeden.
Samenvatting
In deze zaak draait het om de vraag of de aan [partij] verleende toevoeging voor rechtsbijstand terecht met terugwerkende kracht is ingetrokken. [Partij] had met behulp van de toevoeging met succes geprocedeerd tegen haar voormalige werkgever over achterstallig loon. De rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde [partij] op 12 januari 2022 in het gelijk en veroordeelde de werkgever tot betaling van het loon en de proceskosten. Na afwikkeling vroeg de advocaat vergoeding aan en meldde een financieel resultaat van € 26.838,00. De Raad voor Rechtsbijstand trok de toevoeging in op grond van artikel 34g lid 1 sub b van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), dat intrekking voorschrijft indien de rechtzoekende als resultaat van de procedure een geldvordering van ten minste 50% van het wettelijke drempelbedrag heeft verkregen. Na bezwaar stelde de raad het werkelijk ontvangen bedrag vast op € 16.370,27, dat weliswaar boven het drempelbedrag van € 15.873,50 lag, maar herzag desondanks zijn besluit en liet de toevoeging in stand. Vervolgens heeft de Raad voor Rechtsbijstand of een andere partij hoger beroep ingesteld bij de Raad van State. De kern van het geschil is of het marginaal overschrijden van het drempelbedrag voldoende grond oplevert voor intrekking, dan wel of er zwaarwegende omstandigheden zijn die zich daartegen verzetten. De aangeleverde uitspraaktekst is echter onvolledig en bevat niet de uiteindelijke beslissing van de Raad van State, waardoor de definitieve uitkomst en de dragende motivering niet kunnen worden vastgesteld. De zaak illustreert de spanning tussen het doel van gesubsidieerde rechtsbijstand en de terugvorderingssystematiek bij een positief procesresultaat.