CBR legt rijvaardigheidsonderzoek op wegens taalachterstand, geen discriminatie
ECLI:NL:RVS:2026:4717, Raad van State, 12-08-2026, 202503769/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 7 september 2023 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) aan [appellant] een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd. [appellant] is geboren in India. Partijen zijn het erover eens dat [appellant] de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om een educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG), zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (Regeling) in het Nederlands te volgen. [appellant] zou volgens de Regeling in beginsel deze cursus over verantwoord rijgedrag moeten volgen. Omdat hij onvoldoende Nederlands spreekt om die cursus te kunnen volgen, heeft het CBR in plaats daarvan aan hem een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd. [appellant] stelt zich op het standpunt dat sprake is van discriminatie omdat het CBR op grond van de Regeling naar aanleiding van dezelfde gedraging een andere maatregel oplegt als betrokkenen de Nederlandse taal onvoldoende beheersen.
Kern van de zaak
Een in India geboren bestuurder reed 66 km/u te hard en sprak onvoldoende Nederlands voor de verplichte EMG-cursus. Het CBR legde daarom een rijvaardigheidsonderzoek op. De bestuurder stelde dat dit discriminatie oplevert ten opzichte van Nederlandstalige rijders.
Beslissing van de rechter
De Raad van State behandelt het beroep van appellant tegen het besluit van het CBR; op grond van de beschikbare tekst lijkt de klacht over discriminatie ongegrond te worden verklaard, omdat het CBR handelt conform de Regeling die bij onvoldoende talenkennis een rijvaardigheidsonderzoek voorschrijft als alternatief voor de EMG. De doorslaggevende reden is dat de Regeling het CBR geen beleidsvrijheid laat en het onderscheid niet berust op nationaliteit maar op taalvaardigheid als objectief criterium.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een specifieke toepassing van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid op een individueel geval, maar raakt aan een breder vraagstuk van gelijke behandeling en taalvaardigheid bij CBR-maatregelen dat meerdere vergelijkbare gevallen kan raken.
Belangrijkste punten
- 1Appellant reed 66 km/u te hard op een N-weg (146 km/u bij maximaal 80 km/u), wat een mededeling aan het CBR triggerde op grond van artikel 130 Wvw 1994.
- 2Omdat appellant onvoldoende Nederlands spreekt voor de verplichte EMG-cursus, legde het CBR een rijvaardigheidsonderzoek op conform de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid.
- 3Appellant betoogt dat het rijvaardigheidsonderzoek een zwaardere maatregel is (hogere kosten, andere slagingskansen, belastender karakter) en dat dit discriminatie oplevert.
- 4Het onderscheid in opgelegde maatregel is gebaseerd op taalvaardigheid, niet op nationaliteit als zodanig; de Regeling voorziet expliciet in dit alternatief.
- 5De juridische vraag spitst zich toe op of het hanteren van taalvaardigheid als onderscheidend criterium een verboden vorm van (indirect) onderscheid oplevert.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt in hoeverre het CBR bij de keuze tussen een EMG en een rijvaardigheidsonderzoek gebonden is aan de Regeling en of taalvaardigheid als objectief criterium indirect onderscheid naar nationaliteit kan rechtvaardigen. Dit is relevant voor de toepassing van gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebepalingen in het bestuursrecht.
Praktische impact
Rijders met onvoldoende kennis van het Nederlands die een verkeersovertreding begaan waarvoor normaal een EMG geldt, worden geconfronteerd met een rijvaardigheidsonderzoek dat duurder en potentieel zwaarder is. Deze uitspraak bevestigt of nuanceert of het CBR dat onderscheid mag blijven maken.
Onderwerp-impact
Voor de handhaving van verkeersregels en de uitvoering van maatregelen door het CBR verduidelijkt de uitspraak de grenzen van gelijke behandeling bij bestuursrechtelijke sancties in het verkeer.
Samenvatting
In deze zaak had een in India geboren bestuurder op 23 augustus 2023 op een N-weg in Aalsmeer een maximumsnelheid van 80 km/u overschreden door 146 km/u te rijden, een overschrijding van 66 km/u. Op grond van artikel 130 en 131 van de Wegenverkeerswet 1994 stelde de korpschef het CBR hiervan in kennis, waarna het CBR een maatregel diende op te leggen. In beginsel zou dit een educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG) zijn geweest, een cursus over verantwoord rijgedrag. Omdat appellant onvoldoende Nederlands spreekt om deze cursus te kunnen volgen, legde het CBR in plaats daarvan een rijvaardigheidsonderzoek op, conform de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid. Appellant betoogde dat deze werkwijze discriminatoir is: hij wordt bij dezelfde verkeersovertreding aan een andere, en naar zijn mening zwaardere maatregel onderworpen dan Nederlandstalige rijders. Hij wees op de hogere kosten, de andere slagingskansen en het belastende karakter van het rijvaardigheidsonderzoek ten opzichte van de EMG. De juridische kern van de zaak draait om de vraag of het hanteren van taalvaardigheid als onderscheidend criterium voor de keuze van de maatregel een verboden vorm van (indirect) onderscheid naar nationaliteit oplevert. Het CBR handelt op grond van een uitdrukkelijke wettelijke regeling die dit alternatief voorschrijft wanneer een betrokkene de EMG niet in het Nederlands kan volgen. De Raad van State beoordeelt of dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is. Gelet op de wettelijke grondslag en het feit dat het onderscheid berust op talenkennis als functioneel criterium — niet op nationaliteit als zodanig — lijkt het beroep op discriminatie ongegrond. De uitspraak is relevant voor vergelijkbare gevallen waarbij taalvaardigheid de keuze van een bestuursrechtelijke maatregel bepaalt.