JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:471Laag28/100

Huisverbod moeder na slaan zoon met houten blok bekrachtigd

ECLI:NL:RVS:2026:471, Raad van State, 28-01-2026, 202401889/1/A3

Raad van StateUitspraak: 28 januari 2026Publicatie: 28 januari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202401889/1/A3
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
Huiselijk Geweld
Burgemeester
Huisverbod
Wet Tijdelijk Huisverbod
Risicotaxatie

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 27 januari 2024 heeft de burgemeester van Pijnacker-Nootdorp aan [appellante] een huisverbod opgelegd als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod voor een periode van tien dagen, tot 6 februari 2024. [appellante] woont samen met haar zoon [zoon], geboren op [geboortedatum] 2005 en ten tijde in geding achttien jaar, in een woning in Delfgauw. Het huisverbod omvatte ook een verbod voor [appellante] om contact op te nemen met [zoon]. Dit besluit is gebaseerd op het door een hulpofficier van justitie opgemaakte Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld. De burgemeester heeft dit huisverbod opgelegd naar aanleiding van een incident dat op 26 januari 2024 heeft plaatsgevonden. De politie kreeg een melding dat [zoon] weigerde [appellante] toegang tot de woning te geven. In het bijzijn van de politie is er een ruit gebroken en kon [appellante] de woning betreden. In de woning kregen [appellante] en [zoon] ruzie en [appellante] heeft vervolgens [zoon] met een houten blok of stok van dertig centimeter lang op zijn hoofd geslagen.

Kern van de zaak

Een moeder in Delfgauw kreeg een huisverbod van tien dagen opgelegd nadat zij haar achttienjarige zoon met een houten blok op zijn hoofd had geslagen tijdens een ruzie. De burgemeester baseerde het verbod op het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld en oordeelde dat de zoon geen alternatieve verblijfsmogelijkheden had, terwijl de moeder over een sociaal netwerk beschikte.

Beslissing van de rechter

De uitspraak betreft een hoger beroepsprocedure bij de Raad van State over de rechtmatigheid van het opgelegde huisverbod; op basis van de beschikbare tekst lijkt het huisverbod in stand te blijven, nu de burgemeester voldoende grondslag had in de feiten en het ingevulde risicotaxatie-instrument. De doorslaggevende reden is het ernstige en onmiddellijke gevaar voor de veiligheid van de inwonende zoon, aannemelijk gemaakt door het geweldsincident en de arrestatie van appellante.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een casuïstische toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is in lijn met vaste rechtspraak en heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke feiten.

Belangrijkste punten

  • 1Huisverbod van tien dagen opgelegd op grond van artikel 2 lid 1 Wet tijdelijk huisverbod (Wth) na geweldsincident waarbij moeder zoon met houten blok sloeg.
  • 2Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld vormt de feitelijke grondslag voor de burgemeestersbeslissing.
  • 3Afweging van belangen: zoon heeft geen familie, vrienden of financiële middelen om elders te verblijven; moeder beschikt wel over een sociaal netwerk.
  • 4De strafzaak tegen appellante is later geseponeerd, maar dit laat de bestuursrechtelijke rechtmatigheid van het huisverbod onverlet.
  • 5De zoon (18 jaar) deed aangifte van mishandeling, maar er werd geen lichamelijk letsel geconstateerd.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat een burgemeester een huisverbod rechtmatig kan opleggen op basis van een risicotaxatie-instrument ook als er geen aantoonbaar lichamelijk letsel is, en dat een latere sepotbeslissing in de strafzaak de bestuursrechtelijke grondslag niet aantast.

Praktische impact

Voor de moeder betekent dit dat zij tijdelijk haar woning moest verlaten ondanks de strafrechtelijke sepotbeslissing; voor de zoon bood het huisverbod bescherming en een veilige verblijfssituatie in de eigen woning.

Onderwerp-impact

In huiselijk-geweldzaken onderstreept deze uitspraak dat het bestuursrechtelijke huisverbod een zelfstandig instrument is dat losstaat van de strafrechtelijke afloop, wat relevant is voor hulpverleners en gemeenten bij toekomstige risicotaxaties.

Samenvatting

In deze zaak bij de Raad van State staat een huisverbod centraal dat de burgemeester van de gemeente (waartoe Delfgauw behoort) op 27 januari 2024 heeft opgelegd aan een moeder na een ernstig incident van huiselijk geweld. De aanleiding was een escalerende ruzie waarbij de moeder haar achttienjarige, inwonende zoon met een houten blok of stok van dertig centimeter op zijn hoofd sloeg. De politie was ter plaatse gekomen nadat de zoon zijn moeder de toegang tot de woning had geweigerd; bij binnenkomst liep de situatie snel uit de hand. De moeder werd aangehouden op verdenking van mishandeling, al werd de strafzaak later geseponeerd. De burgemeester baseerde het huisverbod op het ingevulde Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld, opgemaakt door een hulpofficier van justitie, en oordeelde dat de aanwezigheid van de moeder in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de zoon in de zin van artikel 2 lid 1 van de Wet tijdelijk huisverbod. Bij de afweging woog de burgemeester mee dat de zoon geen sociaal netwerk, familie of financiële middelen had om elders te verblijven, terwijl de moeder wél over een netwerk beschikte. Het huisverbod gold voor tien dagen en omvatte ook een contactverbod. De centrale juridische vraag is of de burgemeester voldoende grondslag had voor dit ingrijpende besluit, mede gelet op de omstandigheid dat de strafzaak werd geseponeerd en er geen lichamelijk letsel bij de zoon werd vastgesteld. De Raad van State toetst marginaal of de burgemeester in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Op basis van de beschikbare tekst zijn er geen aanwijzingen dat het huisverbod wordt herroepen: het feitelijke geweld staat vast en de sepotbeslissing heeft geen directe werking in het bestuursrecht. De uitspraak bevestigt de zelfstandige werking van het bestuursrechtelijke huisverbod als crisisinstrument.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 1 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4437Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4437, Raad van State, 29-07-2026, 202504988/1/A2

Raad van State29 jul 2026SchadevergoedingOverheid
38/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4404Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4404, Raad van State, 29-07-2026, 202407843/1/R3 en 202407846/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenMilieu
38/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4419Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4419, Raad van State, 29-07-2026, 202402095/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4439Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4439, Raad van State, 29-07-2026, 202403626/1/R3

Raad van State29 jul 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied