JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4662Laag8/100

Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door Raad van State

ECLI:NL:RVS:2026:4662, Raad van State, 12-08-2026, BRS.26.002846

Raad van StateUitspraak: 12 augustus 2026Publicatie: 10 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.002846
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Verkorte Motivering
Vreemdelingenwet
Artikel 91 Vw2000
Hoger Beroep Ongegrond

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 11 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

Een appellant (vertegenwoordigd door een advocaat in Kapelle) stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak waarbij de minister betrokken was. De exacte inhoudelijke kwestie is niet volledig kenbaar uit de beschikbare tekst, maar het betreft een vreemdelingenrechtelijke procedure waarin de rechtbank eerder een oordeel had geveld.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Raad van State oordeelde dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die beantwoording vereisen in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, en evenmin vragen oproept over de uitleg of geldigheid van Unierecht.

8van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een routinematige toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsvragen of inhoudelijke overwegingen; de zaak heeft geen precedentwerking en de tekst is bovendien onvolledig.

Belangrijkste punten

  • 1De Raad van State past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: verkorte motivering omdat geen rechtseenheidsvragen spelen
  • 2De motivering van de rechtbank (overwegingen 11 en 12) wordt integraal overgenomen door de Afdeling
  • 3Geen Unierechtelijke vragen aanwezig conform het Remling-arrest (HvJ EU 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243)
  • 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden aan appellant
  • 5Uitspraak gedaan door enkelvoudige kamer, wat de relatief geringe complexiteit bevestigt

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte afdoeningsmogelijkheid ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en sluit aan bij recente HvJ EU-jurisprudentie (Remling) over de drempel voor Unierechtelijke vragen in vreemdelingenzaken. Geen zelfstandige rechtsontwikkeling.

Praktische impact

Appellant krijgt geen verblijfsrechtelijk gunstiger resultaat en moet de kosten van de procedure zelf dragen. De beslissing van de minister blijft ongewijzigd van kracht.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenprocedures bevestigt deze uitspraak dat de verkorte hogerberoepsprocedure regelmatig wordt toegepast, waardoor appellanten met standaardzaken weinig kans maken op een inhoudelijk hoger beroep.

Samenvatting

In deze vreemdelingenrechtelijke procedure stelde een appellant, bijgestaan door een advocaat in Kapelle, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank. De minister was de wederpartij. De exacte feitelijke achtergrond van de zaak is niet volledig kenbaar uit de gepubliceerde tekst, maar het betreft een geschil dat zijn grondslag vindt in de Vreemdelingenwet 2000. De centrale juridische vraag in hoger beroep was of de rechtbank op juiste gronden tot haar oordeel was gekomen. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend en maakt gebruik van de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 Vw 2000. Op grond van deze bepaling hoeft het oordeel niet verder te worden gemotiveerd indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Daarnaast stelt de Afdeling vast dat het hogerberoepschrift geen vragen oproept over de uitleg of geldigheid van Unierecht, conform de maatstaf die is neergelegd in het arrest Remling van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:243). De motivering van de rechtbank in overwegingen 11 en 12 wordt integraal overgenomen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer, hetgeen past bij de relatief ongecompliceerde juridische vragen die aan de orde waren. De zaak heeft geen zelfstandige precedentwerking en illustreert de routinematige toepassing van de verkorte hogerberoepsprocedure in het vreemdelingenrecht.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 25 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

Hoge Raad·25 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1570

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens onvoldoende bewijs betalingsonmacht

28/100Bekijk
Hoge Raad·25 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1564

Hoge Raad verklaart cassatieberoep inkomstenbelasting niet-ontvankelijk

8/100Bekijk
Hoge Raad·25 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1566

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Hoge Raad·25 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1569

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens griffierecht

22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen