Urgentieverklaring dakloos man afgewezen vanwege beschermd wonen
ECLI:NL:RVS:2026:466, Raad van State, 28-01-2026, 202502474/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 1 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. appellant] is dakloos geworden nadat hij in 2023 is gescheiden van zijn ex-partner. Hij heeft tijdelijke opvang gekregen in de noodopvang, maar deze plek is volgens hem niet passend gelet op zijn medische problematiek. Hij heeft daarom een urgentieverklaring aangevraagd om met voorrang in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning.
Kern van de zaak
Een dakloos geworden man vroeg na zijn scheiding in 2023 een urgentieverklaring aan voor een sociale huurwoning. Het college wees de aanvraag af omdat een traject voor beschermd wonen bij de GGD als voorliggende voorziening werd aangemerkt. De man vond de noodopvang niet passend vanwege zijn medische problematiek.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is feitelijk achterhaald doordat appellant hangende de procedure alsnog een woning via zorginstelling Fier op ontwikkeling toegewezen kreeg op basis van zijn indicatie voor beschermd wonen. De eerdere afwijzing van de urgentieverklaring werd in stand gelaten omdat het huisvestingsprobleem oplosbaar was via een voorliggende voorziening, en er geen aanleiding was voor toepassing van de hardheidsclausule.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaand beleid en jurisprudentie toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de zaak is bovendien feitelijk achterhaald door de tussentijdse woningtoewijzing, wat de precedentwaarde beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 2.10.5 lid 1 sub d Huisvestingsverordening 2020 verplicht tot weigering van een urgentieverklaring als een andere toereikende voorziening beschikbaar is.
- 2Een indicatie voor beschermd wonen geldt als voorliggende voorziening die in de weg staat aan een urgentieverklaring.
- 3Lange wachttijden op de wachtlijst voor beschermd wonen rechtvaardigen op zichzelf geen urgentieverklaring; versnelling dient in het eigen traject te worden gezocht.
- 4De hardheidsclausule werd zowel in bezwaar, beroep als hoger beroep niet van toepassing geacht op de aangevoerde omstandigheden.
- 5Hangende hoger beroep werd het belang bij een uitspraak feitelijk ontnomen doordat appellant via beschermd wonen alsnog woonruimte met 24-uurszorg toegewezen kreeg.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat gemeenten de voorliggende-voorzieningensystematiek strikt mogen toepassen en dat wachttijden binnen een beschermd-wonen-traject geen grond vormen voor een urgentieverklaring. De ruimte voor de hardheidsclausule bij dakloosheid in combinatie met medische problematiek wordt beperkt uitgelegd.
Praktische impact
Dakloze personen met een indicatie voor beschermd wonen kunnen in beginsel geen urgentieverklaring voor een reguliere sociale huurwoning verkrijgen, ook niet bij langdurige wachttijden; zij zijn aangewezen op versnelling binnen het eigen zorgtraject.
Onderwerp-impact
Voor de zorg- en opvangsector bevestigt deze uitspraak dat beschermd wonen als volwaardige alternatieve voorziening geldt die de urgentieaanvraagprocedure blokkeert, wat de druk op wachtlijsten voor beschermd wonen indirect vergroot.
Samenvatting
Appellant raakte in 2023 dakloos na zijn scheiding en verblijft in noodopvang die hij vanwege medische problematiek als niet-passend ervaart. Hij vroeg het college een urgentieverklaring te verlenen voor een sociale huurwoning. Het college weigerde op grond van artikel 2.10.5 lid 1 sub d van de Huisvestingsverordening 2020, omdat voor appellant een traject voor Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen via de GGD was opgestart. Dit traject werd aangemerkt als een voorliggende voorziening die toereikend en passend is voor het oplossen van zijn huisvestingsprobleem. In bezwaar handhaafde het college dit standpunt en zag het geen reden om via de hardheidsclausule van het beleid af te wijken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de lange wachttijd op de wachtlijst voor beschermd wonen geen zelfstandig recht op een urgentieverklaring creëert; appellant diende in het eigen traject versnelling na te streven. In hoger beroep bij de Raad van State deed zich een feitelijke wijziging voor: hangende de procedure werd aan appellant op basis van zijn indicatie voor beschermd wonen een woning toegewezen door zorginstelling Fier op ontwikkeling, met 24-uurszorg en begeleiding op maat. Daarmee ontviel het belang aan de procedure over de urgentieverklaring. De Raad van State kon in de aangedragen omstandigheden evenmin grond vinden voor toepassing van de hardheidsclausule. De uitspraak bevestigt de strikte werking van de voorliggende-voorzieningensystematiek: zolang een andere adequate voorziening beschikbaar is, staat die in de weg aan een urgentieverklaring, ook bij dakloosheid in combinatie met medische problematiek. Voor betrokkenen betekent dit dat zij primair aangewezen zijn op versnelling binnen hun eigen zorg- of opvangtraject.