Bootlift in Vecht geweigerd ondanks hoger beroep bewoner
ECLI:NL:RVS:2026:4609, Raad van State, 05-08-2026, 202404306/1/R4.
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 12 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht geweigerd om [appellant] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te verlenen voor het plaatsen van een bootlift in de Vecht bij het perceel [locatie A] in Maarssen. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Vecht" een verbod op bootliften bevat en het college niet bereid is om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2º, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van dit bestemmingsplan. De rechtbank heeft het besluit van 28 november 2023 vernietigd, omdat daarin volgens de rechtbank onvoldoende was gemotiveerd waarom getoetst werd aan de "Ligplaatsenvisie Stichtse Vecht". [appellant] kan zich niet vinden in de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
Kern van de zaak
Een bewoner van Maarssen plaatste een bootlift in de Vecht en vroeg in 2023 een omgevingsvergunning ter legalisatie. Het college van Stichtse Vecht weigerde de vergunning op basis van het bestemmingsplan 'De Vecht' en het gemeentelijke afwijkingenbeleid. De rechtbank vernietigde het besluit op bezwaar wegens motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
Beslissing van de rechter
De Raad van State behandelt het hoger beroep van appellant tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Het doorslaggevende geschilpunt is of het college het Afwijkingenbeleid in beroep alsnog als grondslag mocht aanvoeren; de uitspraak is op basis van de beschikbare tekst onvolledig weergegeven.
Impactscore
LaagHet betreft een individueel geval over een bootliftvergunning in een specifieke gemeente; de rechtsvraag over aanvulling van gronden in beroep is wel relevant maar niet nieuw of richtinggevend.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de aanvraag dateert van vóór 1 januari 2024, blijft de Wabo (oud recht) van toepassing.
- 2Het bestemmingsplan 'De Vecht' bevat een expliciet verbod op bootliften; de vergunning werd geweigerd op grond van artikel 2.12 lid 1 Wabo.
- 3De rechtbank vernietigde het besluit op bezwaar wegens onvoldoende motivering ten aanzien van de Ligplaatsenvisie Stichtse Vecht.
- 4De rechtbank liet de rechtsgevolgen in stand nadat het college in beroep nadere toelichting gaf via het Afwijkingenbeleid gemeente Stichtse Vecht 2014.
- 5In hoger beroep wordt betwist of het college in beroep een nieuwe grondslag (Afwijkingenbeleid) ten grondslag mocht leggen aan de reeds genomen weigeringsbeslissing.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt aan de grenzen van de aanvulling van besluitvorming in beroep en de toelaatbaarheid van nieuwe beleidsgronden na vernietiging; dit is relevant voor de toepassing van artikel 6:22 Awb en het verbod van reformatio in peius in de bestuursprocesrechtelijke context.
Praktische impact
Voor de bewoner betekent de (vooralsnog) in stand gelaten weigering dat de bootlift illegaal blijft en mogelijk verwijderd moet worden. Voor andere bewoners langs de Vecht biedt de uitspraak duidelijkheid over de handhaving van het bestemmingsplanverbod op bootliften.
Onderwerp-impact
De uitspraak bevestigt dat gemeenten een strikte ligplaatsenvisie en afwijkingenbeleid kunnen handhaven langs waterwegen, wat gevolgen heeft voor vergunningaanvragen in het buitengebied bij waterkanten.
Samenvatting
Deze zaak betreft een bewoner van Maarssen die zonder vergunning een bootlift in de Vecht had geplaatst en in april 2023 een omgevingsvergunning aanvroeg ter legalisatie. Het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht weigerde de vergunning omdat het bestemmingsplan 'De Vecht' een verbod op bootliften bevat en het college niet bereid was af te wijken op grond van artikel 2.12, eerste lid, Wabo. Het besluit op bezwaar van november 2023 werd door de rechtbank vernietigd wegens een motiveringsgebrek: het college had onvoldoende uitgelegd waarom de Ligplaatsenvisie Stichtse Vecht als toetsingskader was gebruikt. De rechtbank liet de rechtsgevolgen echter in stand, omdat het college in beroep toelichte dat de toetsing aan de Ligplaatsenvisie was gebaseerd op het 'Afwijkingenbeleid gemeente Stichtse Vecht 2014', en de weigering op die gecombineerde grondslag stand kon houden. In hoger beroep bij de Raad van State betoogt appellant dat het college in beroep het Afwijkingenbeleid niet meer als nieuwe grondslag mocht aanvoeren, omdat dit beleid geen rol had gespeeld in het primaire besluit en het besluit op bezwaar. Dit raakt aan een principiële vraag in het bestuursprocesrecht over de mogelijkheid voor bestuursorganen om in beroep de motivering van een besluit aan te vullen of te vervangen. Omdat het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing is, wordt de zaak volledig beoordeeld onder het oude Wabo-regime. De tekst van de uitspraak is onvolledig, waardoor de uiteindelijke beslissing van de Raad van State niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare overwegingen lijkt de centrale rechtsvraag te zijn of de rechter de rechtsgevolgen terecht in stand heeft gelaten.