Bestemmingsplan houtzagerij Nijkerk deels vernietigd door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:4608, Raad van State, 05-08-2026, 202200069/1/R4
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 25 november 2021 heeft de raad van de gemeente Nijkerk het bestemmingsplan "[locatie A], Nijkerk" (het plan) vastgesteld. Aan de [locatie A] in Nijkerk bevindt zich een agrarisch bouwperceel dat is opgedeeld in twee delen. Op het voorste gedeelte is een agrarisch bedrijf gevestigd, waaraan in het plan opnieuw een agrarische bestemming is toegekend. [bedrijf] exploiteren een houtzagerij en houthandel op het achterste en zuidelijk gelegen gedeelte van het agrarische bouwperceel. De bedrijfsactiviteiten van de houtzagerij en houthandel vinden plaats in een bestaande schuur van 1.250 m2 en gedeeltelijk op het onbebouwde terrein daarbuiten. Met het plan wordt de houtzagerij en houthandel als zodanig bestemd. [appellant sub 2] woont op de [locatie B] in Nijkerk op ongeveer 220 m ten zuidwesten van het plangebied. Hij ervaart overlast van met name geluid van de houtzagerij en houthandel. [appellante sub 1] exploiteert een houthandel op de [locatie C] in Hoevelaken, die op ongeveer 3 kilometer afstand van het plangebied ligt. Beide beroepen zijn alleen gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Niet agrarisch". Volgens [appellant sub 2] en [appellante sub 1] hoort de houtzagerij en houthandel niet thuis in het buitengebied maar op een bedrijventerrein.
Kern van de zaak
Een houtzagerij en houthandel in Nijkerk kreeg via een nieuw bestemmingsplan de bestemming 'Bedrijf - Niet agrarisch', inclusief buitenopslagmogelijkheden. Appellanten bestreden (onderdelen van) dit bestemmingsplan bij de Raad van State. De zaak betreft de rechtmatigheid van de planologische regeling voor het achterste deel van een agrarisch bouwperceel.
Beslissing van de rechter
De Raad van State vernietigt een onderdeel van het bestemmingsplan en draagt de gemeenteraad op dit binnen vier weken te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan. De raad wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van appellant sub 2, terwijl de proceskosten van appellante sub 1 niet worden vergoed; ook is een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend.
Impactscore
LaagHet betreft een locatiespecifieke bestemmingsplankwestie zonder breed prejudiciële betekenis; de juridische overwegingen zijn toepassing van bekende regels (overgangsrecht Omgevingswet, plantoetsing Wro) zonder nieuwe rechtsontwikkeling.
Belangrijkste punten
- 1Op deze procedure blijft het oude recht (Wro) van toepassing, nu het ontwerpplan vóór 1 januari 2024 ter inzage is gelegd (overgangsrecht Invoeringswet Omgevingswet).
- 2Het perceel had voorheen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden' met maximaal 350 m² opslagnevenactiviteit; het nieuwe plan kent een volwaardige bedrijfsbestemming toe.
- 3De buitenopslag is in het nieuwe plan gemaximeerd op 3 meter hoogte via een specifieke functieaanduiding.
- 4Een deel van het bestemmingsplan wordt vernietigd en de raad moet dit binnen vier weken verwerken in het elektronisch vastgestelde plan.
- 5Appellant sub 2 ontvangt proceskosten en heeft een verzoek ingediend voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet en toont dat de Afdeling bestuursrechtspraak bij partiële vernietiging de raad kan opdragen het plan snel aan te passen. De uitkomst ten aanzien van de redelijke termijn is nog niet volledig kenbaar uit de beschikbare tekst.
Praktische impact
De houtzagerij en houthandel verkrijgen grotendeels de gewenste planologische status, maar een onderdeel van het bestemmingsplan moet worden herzien. Omwonenden of andere appellanten kunnen beperkt succes boeken, terwijl de gemeente binnen vier weken het plan dient aan te passen.
Onderwerp-impact
Voor vergelijkbare situaties waarbij bedrijven in het buitengebied een nevenactiviteit willen omzetten naar een zelfstandige bedrijfsbestemming, benadrukt deze uitspraak het belang van een zorgvuldige planologische onderbouwing en de grenzen van buitenopslag.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Raad van State van 5 augustus 2026 betreft het bestemmingsplan voor een perceel aan de locatie A in Nijkerk, waarop een houtzagerij en houthandel actief zijn. Het perceel maakt deel uit van een groter agrarisch bouwperceel: het voorste deel behoudt een agrarische bestemming, terwijl het achterste deel in het nieuwe plan de bestemming 'Bedrijf - Niet agrarisch' heeft gekregen, inclusief een functieaanduiding voor buitenopslag tot maximaal 3 meter hoogte. Voorheen gold een agrarische bestemming met slechts 350 m² aan opslagnevenactiviteit toegestaan. Een eerste procedurele kwestie betreft het toepasselijke recht: omdat het ontwerpplan op 25 juni 2020 ter inzage is gelegd, vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, blijft op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht — waaronder de Wet ruimtelijke ordening — van toepassing totdat het plan onherroepelijk is. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat een onderdeel van het bestemmingsplan voor vernietiging in aanmerking komt en draagt de gemeenteraad op dit binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan op de landelijke voorziening. De proceskosten worden ten aanzien van appellant sub 2 ten laste van de raad gebracht; appellante sub 1 ontvangt geen proceskostenvergoeding. Appellant sub 2 heeft bovendien verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, hetgeen duidt op een langdurige procedure. De uitspraak is vooral van belang voor de directe betrokkenen en illustreert de toepassing van het overgangsrecht bij de invoering van de Omgevingswet, maar heeft geen bredere precedentwerking.