RvS: intrekking toestemming beveiliger wegens geweld teruggedraaid
ECLI:NL:RVS:2026:4604, Raad van State, 05-08-2026, 202502206/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 17 mei 2024 heeft de korpschef van politie de toestemming voor [appellant] om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, ingetrokken. [appellant] werkt 35 jaar als beveiligingsmedewerker. Hij had van de korpschef sinds 19 juli 2021 toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr om voor SA-INT Security B.V. beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Op 5 augustus 2023 heeft een incident plaatsgevonden tussen [appellant] en een bezoeker van café ’t Neutje in Hengelo, waar [appellant] werkzaam was. Er zijn hiervan beelden door cameratoezicht opgenomen en er zijn drie processen-verbaal opgemaakt, van 3 november 2023, 9 november 2023 en 12 april 2024. De korpschef stelt zich op het standpunt dat uit de camerabeelden en de processen-verbaal blijkt dat [appellant] disproportioneel geweld heeft gebruikt en daarom niet over de betrouwbaarheid beschikt die nodig is om als beveiliger te werken. Hij heeft daarom de toestemming ingetrokken op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr.
Kern van de zaak
Een beveiliger met 35 jaar ervaring verloor zijn toestemming op grond van de Wpbr nadat de korpschef oordeelde dat hij disproportioneel geweld had gebruikt bij een incident in café 't Neutje in Hengelo op 5 augustus 2023. De rechtbank bevestigde de intrekking, waarna de beveiliger in hoger beroep ging bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en herroept het intrekkingsbesluit. De doorslaggevende reden is dat de camerabeelden en processen-verbaal niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake was van disproportioneel geweld dat de betrouwbaarheid van de beveiliger als bedoeld in de Wpbr aantast.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft praktisch belang voor de handhavingspraktijk onder de Wpbr, maar is casuïstisch van aard en stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel; de impact blijft beperkt tot de bewijswaardering bij geweldsincidenten in de beveiligingssector.
Belangrijkste punten
- 1De korpschef trok de toestemming ex artikel 7 lid 5 Wpbr in op basis van camerabeelden en drie processen-verbaal over een geweldsincident
- 2De rechtbank oordeelde dat de beelden disproportioneel geweld aantoonden en de intrekking rechtvaardigden
- 3De Raad van State is van oordeel dat de beelden anders moeten worden geïnterpreteerd dan de rechtbank deed
- 4Het herroepen van het primaire besluit betekent dat de toestemming geacht wordt nooit rechtsgeldig te zijn ingetrokken
- 5De korpschef wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 4.402,00 over alle instanties
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de bewijsdrempel voor intrekking van toestemming op grond van de Wpbr wegens disproportioneel geweld: camerabeelden en processen-verbaal moeten een serieuze, ondubbelzinnige verdenking opleveren voordat de betrouwbaarheid van een beveiliger in twijfel mag worden getrokken.
Praktische impact
De beveiliger herkrijgt zijn toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten en ontvangt een volledige proceskostenvergoeding; de korpschef zal zijn beoordelingspraktijk bij geweldsincidenten op basis van camerabeelden moeten heroverwegen.
Onderwerp-impact
Voor beveiligingsorganisaties en hun medewerkers benadrukt deze uitspraak dat enkel het bestaan van camerabeelden en processen-verbaal onvoldoende is om betrouwbaarheid aan te tasten; de inhoud moet objectief en eenduidig disproportioneel geweld aantonen.
Samenvatting
Deze zaak draait om de intrekking van de toestemming van een beveiligingsmedewerker met 35 jaar ervaring op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). De korpschef trok op 17 mei 2024 de toestemming in nadat op 5 augustus 2023 een incident had plaatsgevonden in café 't Neutje in Hengelo. Op basis van camerabeelden en drie processen-verbaal concludeerde de korpschef dat de beveiliger disproportioneel geweld had gebruikt door een bezoeker met zijn knie op de grond te fixeren, waarmee hij niet langer voldeed aan de betrouwbaarheidseis van artikel 7 Wpbr. De rechtbank Overijssel bevestigde op 6 maart 2025 dit standpunt en oordeelde dat de camerabeelden het geweldsgebruik ondubbelzinnig aantoonden en dat de belangen van de beveiliger minder zwaar wogen dan het maatschappelijk belang van betrouwbare veiligheidszorg. In hoger beroep bij de Raad van State betoogde de beveiliger dat de camerabeelden verkeerd werden geïnterpreteerd. De Afdeling bestuursrechtspraak geeft de beveiliger gelijk en oordeelt dat de beelden niet de conclusie rechtvaardigen dat hij disproportioneel geweld heeft gebruikt op een wijze die zijn betrouwbaarheid in de zin van de Wpbr aantast. De Raad van State vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit op bezwaar van 6 september 2024, en herroept tevens het primaire intrekkingsbesluit van 17 mei 2024. Dat betekent dat de toestemming geacht wordt nooit rechtsgeldig te zijn ingetrokken. De korpschef wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten over alle instanties ten bedrage van € 4.402,00. De uitspraak onderstreept dat bij intrekking van Wpbr-toestemming wegens geweld de bewijsbasis objectief en eenduidig moet zijn, en dat beeldmateriaal kritisch en volledig moet worden beoordeeld alvorens vergaande consequenties voor een beveiliger kunnen worden getrokken.