RvS: mondelinge steigersomvordering kwalificeert als bestuursdwang
ECLI:NL:RVS:2026:4600, Raad van State, 05-08-2026, 202407120/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij brief van 2 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen meegedeeld niet te voldoen aan het verzoek van [appellant] om de volgens hem opgelegde last onder bestuursdwang op schrift te stellen. [appellant] had een vergunning om van 8 november tot en met 3 december 2021 een steiger op het trottoir bij zijn pand aanwezig te hebben. Hij was op 3 december 2021 nog niet klaar met zijn werkzaamheden en heeft de steiger daarom laten staan. Daarop hebben toezichthouders, naar aanleiding van een melding, op 22 december 2021 geconstateerd dat de steiger nog aanwezig was. De toezichthouders hebben [appellant] op die dag telefonisch meegedeeld dat de steiger uiterlijk op vrijdag 24 december 2021 verwijderd zou moeten zijn. Op 24 december 2021 hebben toezichthouders opnieuw een controle uitgevoerd en hebben zij [appellant] ditmaal verzocht de steiger binnen een uur, te weten voor 15.00 uur, te verwijderen. Hierbij is gezegd dat de steiger anders op kosten van [appellant] zal worden verwijderd door een steigerbouwer die namens de gemeente ter plaatse aanwezig was. [appellant] heeft hieraan gehoor gegeven en de steiger door zijn eigen steigerbouwer laten verwijderen.
Kern van de zaak
Een burger had een vergunning voor een steiger op het trottoir die op 3 december 2021 afliep. Omdat de werkzaamheden niet klaar waren, bleef de steiger staan. Op 24 december 2021 sommeerden toezichthouders hem de steiger binnen een uur te verwijderen, anders zou de ter plaatse aanwezige steigerbouwer van de gemeente dit op zijn kosten doen. De burger verwijderde de steiger zelf en vroeg daarna om schriftelijke vastlegging van het besluit.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit op bezwaar van het college van Groningen. De doorslaggevende reden is dat de situatie op 24 december 2021 wél moet worden gekwalificeerd als een vorm van bestuursdwang of een mondelinge last onder dwangsom die schriftelijk had moeten worden vastgelegd, in afwijking van het oordeel van de rechtbank.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft betekenis voor de bestuurspraktijk rondom handhaving en bestuursdwang, maar betreft een relatief casuïstische situatie; er worden geen fundamenteel nieuwe rechtsregels gesteld en het gaat om een verwijzing naar een nieuw besluit op bezwaar.
Belangrijkste punten
- 1De vergunning voor de steiger was verlopen op 3 december 2021; de steiger stond daarna zonder toestemming op het trottoir.
- 2Toezichthouders stelden op 24 december 2021 een termijn van één uur voor verwijdering en hadden een gemeentelijke steigerbouwer ter plaatse beschikbaar.
- 3De rechtbank oordeelde dat geen bestuursdwang was toegepast omdat appellant zelf verwijderde; de Raad van State verwerpt dit oordeel.
- 4Het besluit van 20 december 2022 (beslissing op bezwaar) wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.
- 5De Raad van State bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld, waarmee hoger beroep wordt overgeslagen.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak verduidelijkt wanneer mondeling of feitelijk overheidsoptreden bij handhaving kwalificeert als (spoedeisende) bestuursdwang en daarmee schriftelijk moet worden vastgelegd conform de Awb. Het biedt een kader voor de grens tussen een bestuurlijk verzoek en het daadwerkelijk aanvangen van bestuursdwang.
Praktische impact
Gemeenten dienen er rekening mee te houden dat het ter plaatse aanwezig hebben van een aannemer gecombineerd met een dwingend ultimatum kan worden aangemerkt als het aanvangen van bestuursdwang, ook als de burger uiteindelijk zelf handelt. Burgers in soortgelijke situaties kunnen aanspraak maken op een schriftelijke vastlegging van handhavingsbesluiten.
Onderwerp-impact
Voor de bouw- en steigerbouwpraktijk benadrukt deze uitspraak dat handhaving op tijdelijke bouwwerken in de openbare ruimte aan formele procedurele vereisten moet voldoen, ook wanneer sprake is van urgentie rondom feestdagen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een burger in Groningen die na het aflopen van zijn steigervergunning op 3 december 2021 de steiger op het trottoir liet staan omdat zijn werkzaamheden nog niet klaar waren. Op 22 december 2021 constateerden gemeentelijke toezichthouders de overtreding en gaven zij telefonisch aan dat de steiger uiterlijk 24 december 2021 verwijderd moest zijn. Op die datum werd een uur ultimatum gesteld, waarbij een steigerbouwer namens de gemeente ter plaatse stond om de steiger zo nodig op kosten van appellant te verwijderen. De burger voldeed aan het ultimatum door zijn eigen steigerbouwer in te schakelen. Vervolgens verzocht hij het college de genomen maatregel op schrift te stellen, omdat hij meende dat sprake was van bestuursdwang. De rechtbank Noord-Nederland oordeelde dat geen sprake was van (spoedeisende) bestuursdwang, nu de burger zelf de steiger had verwijderd en de gemeente niet feitelijk had ingegrepen. Ook een mondelinge last onder bestuursdwang werd niet aangenomen, omdat een dergelijke last alleen bij schriftelijk besluit in de zin van artikel 1:3 Awb kan worden opgelegd. De Raad van State volgt dit oordeel niet en verklaart het hoger beroep gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar van het college van 20 december 2022. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen moet een nieuw besluit op bezwaar nemen. De Afdeling bepaalt bovendien dat tegen dat nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld, waarmee de normale beroepsgang via de rechtbank wordt overgeslagen. Het college wordt tevens veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak maakt duidelijk dat het formeel aanwezig hebben van een gemeentelijke aannemer gecombineerd met een dwingend tijdslimiet in de handhavingspraktijk al kan kwalificeren als het aanvangen van bestuursdwang, met alle procedurele schriftelijkheidsvereisten van dien.