Oeigoer krijgt geen Oeigoerse naam in BRP ingeschreven
ECLI:NL:RVS:2026:4599, Raad van State, 05-08-2026, 202500096/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 17 februari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht een verzoek van [appellant] om wijziging van gegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [appellant] is op 24 juli 2017 op basis van een verklaring onder ede in de brp ingeschreven als [voornaam] [achternaam appellant], geboren op [geboortedatum] 1987 in [plaats], China. [appellant] heeft het college op 9 november 2022 verzocht om opneming van zijn oudergegevens in de brp en heeft daarbij een nieuwe verklaring onder ede afgelegd. Volgens [appellant] is de geslachtsnaam van zijn vader [andere achternaam], wat de Oeigoerse schrijfwijze is. Het college heeft het verzoek bij het besluit van 17 februari 2023 afgewezen. Omdat de Oeigoeren geen zelfstandige staat hebben die door de Verenigde Naties is erkend, houdt het college de Chinese schrijfwijze aan. Het college heeft de afwijzing bij het besluit van 1 augustus 2023 gehandhaafd.
Kern van de zaak
Een Oeigoerse man, in de BRP ingeschreven met een Chinese naam op basis van een verklaring onder ede uit 2017, verzocht in 2022 om opneming van zijn Oeigoerse vadersnaam. Het college van B&W van Stichtse Vecht weigerde dit omdat de Oeigoeren geen door de VN erkende staat hebben en de Chinese schrijfwijze wordt aangehouden.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar verklaart het onderliggende beroep alsnog ongegrond. De doorslaggevende reden is dat de nieuwe verklaring onder ede uit 2022 van dezelfde rangorde is als de eerdere verklaring uit 2017, zodat geen sprake is van een 'hoger' brondocument dat de wijziging kan dragen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft beperkte precedentwerking voor de specifieke groep Oeigoeren en vergelijkbare staatloze volkeren in de BRP, maar stelt geen nieuwe fundamentele rechtsregels; zij past het bestaande wettelijke kader van de Wet BRP toe.
Belangrijkste punten
- 1Een verklaring onder ede kan niet worden gewijzigd door een nieuwe verklaring onder ede van gelijke rangorde (art. 2.8 lid 2 Wet BRP).
- 2Omdat Oeigoeren geen door de VN erkende staat bezitten, hanteert het college de Chinese schrijfwijze van namen.
- 3Het mensenrechtenbetoog van appellant (opgelegde Chinese naam, schending rechten als Oeigoer) leidt niet tot een ander oordeel over de toepasselijke rangorde van brondocumenten.
- 4Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
- 5De Raad van State vernietigt de rechtbankuitspraak op procedurele gronden maar bereikt inhoudelijk hetzelfde resultaat: afwijzing van het wijzigingsverzoek.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de rangorde van brondocumenten in de Wet BRP strikt wordt toegepast en dat een nieuwe verklaring onder ede een eerdere verklaring onder ede niet kan vervangen. Mensenrechtelijke omstandigheden die ten grondslag liggen aan een onjuiste oorspronkelijke registratie doorbreken dit systeem niet.
Praktische impact
Oeigoeren en andere staatloze of niet-erkende volkeren die in Nederland zijn ingeschreven op basis van een verklaring onder ede, kunnen hun in China of elders opgelegde naam niet eenvoudig via een nieuwe verklaring onder ede laten wijzigen in de BRP.
Onderwerp-impact
De uitspraak raakt de positie van etnische minderheden zonder erkende staatsburgerschap in de Nederlandse burgerlijke stand en illustreert de spanning tussen het gesloten brondocumentensysteem van de BRP en mensenrechtelijke aanspraken van staatloze volkeren.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Oeigoerse man die in 2017 op basis van een verklaring onder ede in de Basisregistratie Personen (BRP) werd ingeschreven onder zijn Chinese naam en geboortedatum. In 2022 verzocht hij het college van B&W van Stichtse Vecht om zijn vadergegevens op te nemen met de Oeigoerse schrijfwijze van zijn vadersnaam. Hij legde daartoe een nieuwe verklaring onder ede af en voerde aan dat zijn Chinese naam hem door de Chinese overheid was opgedrongen, waarmee zijn mensenrechten als Oeigoer werden geschonden. Het college weigerde het verzoek omdat Oeigoeren geen door de VN erkende staat hebben en de Chinese schrijfwijze derhalve maatgevend is. De rechtbank Midden-Nederland bevestigde de afwijzing, maar deed dat op basis van het oordeel dat de nieuwe verklaring onder ede van dezelfde rangorde is als de oorspronkelijke, zodat geen sprake is van een hoger brondocument in de zin van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet BRP. De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank wegens een procedurele grond in de redenering, maar verklaart het beroep van appellant vervolgens zelf ongegrond. De kern van het oordeel is dat het systeem van de Wet BRP een hiërarchie van brondocumenten kent: een latere verklaring onder ede heeft dezelfde rangorde als een eerdere en kan deze daarom niet vervangen of opzijzetten. Het mensenrechtelijke betoog van appellant — dat zijn oorspronkelijke verklaring was ingegeven door gebrek aan keuze en onwetendheid over de gevolgen — doet aan die rangordebeoordeling niet af. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De uitspraak maakt duidelijk dat het gesloten brondocumentensysteem van de BRP weinig ruimte laat voor correcties op louter ethische of mensenrechtelijke gronden, tenzij een brondocument van hogere rang wordt overgelegd.