Schadefonds-uitkering niet verhoogd wegens onduidelijke datum mishandeling
ECLI:NL:RVS:2026:4598, Raad van State, 05-08-2026, 202503697/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 28 augustus 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) van € 2.500 toegekend. [appellant] heeft op 16 mei 2024 bij de CSG een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd, omdat hij aan een mishandeling ernstig fysiek letsel heeft overgehouden. De CSG heeft op 28 augustus 2024, gehandhaafd bij besluit van 4 november 2024, een uitkering ter hoogte van € 2.500 toegekend. Dit bedrag hoort bij letselcategorie 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG zich op het standpunt mocht stellen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het letsel is ontstaan als gevolg van het geweldsmisdrijf waar de aanvraag betrekking op heeft en dat hij op basis van deze aanvraag eigenlijk in het geheel niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds.
Kern van de zaak
Een slachtoffer van mishandeling vraagt een hogere uitkering aan bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven (categorie 3 of hoger). De CSG kende slechts € 2.500 (categorie 2) toe, omdat de aanvraagdatum van de mishandeling (22 juni 2022) niet overeenkwam met de medische stukken (fractuur geconstateerd op 19 mei 2022). Appellant stelde dat het om een vergissing bij het invullen van het jaar ging.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Raad van State oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat het geconstateerde letsel het gevolg is van het geweldsmisdrijf waarop de aanvraag betrekking heeft, gezien de tegenstrijdige datumverklaringen tussen aangifte en medische documentatie.
Impactscore
LaagDe uitspraak past casuïstisch bestaande beoordelingskaders toe zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de impact is beperkt tot de betrokken partijen en bevestigt slechts bekende uitgangspunten over aannemelijkheid en bewijslastverdeling bij het Schadefonds.
Belangrijkste punten
- 1De datum in de aangifte (22 juni 2022) komt niet overeen met de datum van de fractuur in de medische stukken (19 mei 2022), wat de causaliteit tussen het aangevraagde misdrijf en het letsel ondermijnt.
- 2De CSG mag grote waarde hechten aan het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van aangifte.
- 3Het niet consistent verklaren over de datum van de mishandeling weegt zwaar bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de schade.
- 4De stelling dat slechts een vergissing in het jaartal is gemaakt, is onvoldoende om de discrepantie te weerleggen.
- 5De Afdeling laat de mogelijkheid open dat appellant een herzieningsverzoek kan indienen om de feiten opnieuw te laten beoordelen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bij aanvragen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven de causaliteit tussen het opgegeven misdrijf en het letsel voldoende aannemelijk moet worden gemaakt, waarbij tegenstrijdige datumvermeldingen ten nadele van de aanvrager kunnen werken. Een ambtsbelofte-pv heeft daarbij een zwaarwegend bewijsrechtelijk karakter.
Praktische impact
Slachtoffers die een uitkering aanvragen bij het Schadefonds dienen ervoor te zorgen dat de in de aanvraag vermelde feiten en data consistent zijn met de medische en politiële documentatie; fouten hierin kunnen een hogere letselcategorie-toekenning blokkeren.
Onderwerp-impact
Voor de praktijk rondom het Schadefonds Geweldsmisdrijven benadrukt deze uitspraak het belang van zorgvuldige en consistente feitelijke onderbouwing bij de aanvraag, in het bijzonder ten aanzien van de toedracht en het tijdstip van het misdrijf.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een slachtoffer van mishandeling bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) om een hogere uitkering dan de toegekende € 2.500 (letselcategorie 2). De kern van het geschil lag in een discrepantie tussen de datum van de mishandeling zoals vermeld in het proces-verbaal van aangifte (22 juni 2022) en de data waarop het letsel — een fractuur aan het middenhandsbeentje — medisch was gedocumenteerd (geconstateerd 19 mei 2022, behandeld 25 mei 2022). Het medisch journaal van de huisarts koppelde de breuk bovendien expliciet aan een mishandeling op 19 mei 2022. Appellant stelde in hoger beroep dat het slechts een vergissing in het invullen van het jaar betrof en dat de overgelegde stukken materieel consistent waren met de aangifte. De rechtbank had het beroep al ongegrond verklaard, waarbij zij overwoog dat de CSG mocht vasthouden aan het oordeel dat de causaliteit onvoldoende aannemelijk was gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dit oordeel. Zij stelt vast dat het niet aannemelijk is geworden dat het letsel het gevolg is van het opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijf waarop de aanvraag betrekking heeft. Daartoe weegt de Afdeling mee dat de CSG terecht groot gewicht toekent aan het op ambtsbelofte opgestelde proces-verbaal van aangifte, terwijl de medische stukken juist wijzen op een eerder, ander incident. De niet-consistente verklaringen van appellant over de datum laten geen ruimte voor de conclusie dat de discrepantie slechts een administratieve vergissing betreft. Het hoger beroep is ongegrond verklaard. De Afdeling wijst er nog op dat appellant eventueel een herzieningsverzoek kan indienen om de feiten opnieuw te laten beoordelen, zonder daarmee op de uitkomst vooruit te lopen.