Boete minimumloon gehandhaafd na ontbreken urenregistratie
ECLI:NL:RVS:2026:4583, Raad van State, 05-08-2026, 202500375/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 13 november 2020 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] een bestuurlijke boete van € 50.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). [appellante] organiseerde bootcamps en gezondheidskampen voor volwassenen en kinderen. Naar aanleiding van een anonieme melding is de Inspectie Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid (Arbeidsinspectie) op 13 maart 2019 een oriënterend onderzoek gestart naar [appellante]. Op 27 maart 2019 heeft de Arbeidsinspectie een administratieve werkplekcontrole ingesteld. Vervolgens heeft de Arbeidsinspectie nadere onderzoeken verricht. Op 12 februari 2020 heeft de Arbeidsinspectie een boeterapport opgesteld waarin staat dat [appellante] ten aanzien van tien werknemers niet of niet tijdig bescheiden heeft verstrekt van het aantal gewerkte uren, waardoor het niet mogelijk was om na te gaan of [appellante] de Wml heeft nageleefd. Op 17 augustus 2020 heeft de minister een voornemen tot oplegging van een boete aan [appellante] gestuurd.
Kern van de zaak
De Arbeidsinspectie legde organisator van bootcamps en gezondheidskampen een bestuurlijke boete op van €50.000 wegens het niet verstrekken van bescheiden over gewerkte uren van tien werknemers, waardoor naleving van de Wet minimumloon niet kon worden gecontroleerd. De werkgever ging in bezwaar en beroep tegen deze boete.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. De boete is terecht opgelegd omdat appellante niet de vereiste urenbescheiden kon verstrekken, en de hoogte ervan is conform de Beleidsregel 2018 berekend waarbij de mate van verwijtbaarheid reeds via de duur van de tewerkstelling is verdisconteerd.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een bevestiging van lagere rechtspraak zonder nieuwe rechtsnormen; de Raad van State past de bestaande Wml-handhavingssystematiek toe zonder fundamentele koerswijziging, wat de juridische impact beperkt houdt.
Belangrijkste punten
- 1Overtreding artikel 18b, tweede lid, Wml door niet of niet tijdig verstrekken van bescheiden over gewerkte uren voor tien werknemers
- 2Boete berekend conform Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wml 2018: €5.000 per overtreding bij tewerkstelling korter dan één maand
- 3Verwijtbaarheid is reeds verdisconteerd in de boetehoogte via artikel 8, tweede lid, Beleidsregel 2018
- 4Verzoek aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn (artikel 6 EVRM) afgewezen
- 5Uitspraak rechtbank in beroep volledig bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de Beleidsregel 2018 een rechtmatig kader biedt voor boeteoplegging bij Wml-overtredingen en dat verwijtbaarheid via de berekeningssystematiek voldoende is meegewogen. Het biedt geen nieuwe rechtsontwikkeling maar bevestigt bestaande handhavingspraktijk.
Praktische impact
Werkgevers die bootcamps, seizoensgebonden of kortdurende activiteiten organiseren dienen ook bij kortstondige dienstverbanden deugdelijke urenregistratie bij te houden om boetes van €5.000 per werknemer te voorkomen. Ontbreken van administratie leidt onverkort tot handhaving.
Onderwerp-impact
Voor de zorgs- en welzijnssector en organisatoren van kortdurende gezondheids- en sportactiviteiten onderstreept deze uitspraak het belang van volledige loon- en urenadministratie, ook bij seizoensmedewerkers en deelnemers aan korte programma's.
Samenvatting
Deze zaak betreft een organisator van bootcamps en gezondheidskampen voor volwassenen en kinderen die na een anonieme melding in 2019 werd gecontroleerd door de Arbeidsinspectie. Uit het onderzoek bleek dat de werkgever voor tien werknemers niet of niet tijdig bescheiden had verstrekt over het aantal gewerkte uren, waardoor niet kon worden vastgesteld of de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) was nageleefd. Op basis hiervan heeft de minister in november 2020 een bestuurlijke boete van €50.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, Wml. De boete werd berekend conform de Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wml 2018, waarbij voor elk van de tien overtredingen €5.000 werd opgelegd, omdat de tewerkstelling per betrokkene korter dan één maand duurde. De centrale juridische vragen betroffen de rechtmatigheid van de boeteoplegging, de vraag of de mate van verwijtbaarheid voldoende was meegewogen, en of er recht bestond op aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat de verwijtbaarheid via de boeteberekeningssystematiek van artikel 8, tweede lid, Beleidsregel 2018 reeds was verdisconteerd in de boetehoogte. De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank volledig. Het verzoek om aanvullende schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking: zij bevestigt de bestaande handhavingspraktijk rondom de Wml-administratieverplichtingen en laat zien dat werkgevers ook bij kortdurende dienstverbanden een deugdelijke urenregistratie moeten bijhouden, op straffe van boetes per werknemer.