JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:458Middel38/100

Geen dwangsom bij Wob-verzoek wegens uitzondering dwangsomregeling

ECLI:NL:RVS:2026:458, Raad van State, 28-01-2026, 202405682/1/A3

Raad van StateUitspraak: 28 januari 2026Publicatie: 28 januari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202405682/1/A3
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
Niet Tijdig Beslissen
Dwangsom
Woo
Wob
Belastingdienst

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij uitspraak van 4 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep wegens het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege ongegrond verklaard. [appellant] heeft in augustus 2020 een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur ingediend. Omdat ingebrekestellingen niet hebben geresulteerd in een besluit, heeft hij de inspecteur op 29 januari 2021 verzocht om hem van rechtswege de maximale bestuurlijke dwangsom uit te betalen. De inspecteur heeft bij brief van 5 februari 2021 geweigerd een dwangsombeschikking als bedoeld in artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht te nemen. [appellant] heeft volgens de inspecteur namelijk een Wob-verzoek ingediend en in dat soort zaken is paragraaf 4.1.3.2 van de Awb niet van toepassing, zodat op grond van artikel 15 van de Wob geen dwangsom verschuldigd kan zijn in verband met het niet tijdig beslissen.

Kern van de zaak

Appellant diende in augustus 2020 een Wob-verzoek in bij de Belastingdienst. Na uitblijven van een besluit verzocht hij om uitbetaling van de maximale bestuurlijke dwangsom. De inspecteur weigerde een dwangsombeschikking af te geven, omdat de dwangsomregeling van de Awb niet van toepassing zou zijn op Wob-verzoeken.

Beslissing van de rechter

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank gedeeltelijk, maar verklaart het beroep over het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 2 april 2025 wordt ongegrond verklaard; doorslaggevend is dat artikel 15 van de Wob (en artikel 8.2 Woo) paragraaf 4.1.3.2 van de Awb uitsluit, zodat de dwangsomregeling niet van toepassing is op Wob-verzoeken.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt bestaand recht omtrent de uitsluiting van de dwangsomregeling bij Wob-verzoeken en heeft daarmee beperkte rechtsontwikkelende waarde, maar is praktisch relevant voor de grote groep burgers die Wob/Woo-verzoeken indienen.

Belangrijkste punten

  • 1Paragraaf 4.1.3.2 Awb (dwangsomregeling bij niet tijdig beslissen) is op grond van artikel 15 Wob en artikel 8.2 Woo niet van toepassing op Wob/Woo-verzoeken.
  • 2De inspecteur was niet verplicht een dwangsombeschikking ex artikel 4:18 Awb af te geven bij te laat beslissen op een Wob-verzoek.
  • 3Hangende het hoger beroep zijn alsnog besluiten genomen; de Afdeling betrekt deze in de beoordeling.
  • 4Het beroep over het niet tijdig nemen van een besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na alsnog genomen besluiten.
  • 5Het besluit van 1 mei 2025 wordt vernietigd; het besluit van 2 april 2025 blijft in stand.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat de Awb-dwangsomregeling structureel is uitgesloten bij Wob- en Woo-verzoeken, zodat verzoekers langs die weg geen financiële prikkel kunnen afdwingen bij trage besluitvorming door bestuursorganen.

Praktische impact

Burgers die een Wob- of Woo-verzoek indienen kunnen bij te late besluitvorming geen aanspraak maken op de Awb-dwangsom; zij zijn aangewezen op andere rechtsmiddelen zoals beroep wegens niet tijdig beslissen.

Onderwerp-impact

Voor overheidspraktijk rond informatieverstrekking betekent dit dat de prikkel van de bestuurlijke dwangsom ontbreekt, wat de naleving van beslistermijnen bij Wob/Woo-verzoeken minder afdwingbaar maakt.

Samenvatting

In deze zaak stond de vraag centraal of een verzoeker recht heeft op een bestuurlijke dwangsom op grond van de Awb wanneer de Belastingdienst niet tijdig beslist op een Wob-verzoek. Appellant had in augustus 2020 een Wob-verzoek ingediend. Na herhaalde ingebrekestellingen zonder resultaat verzocht hij in januari 2021 om uitbetaling van de maximale dwangsom. De inspecteur weigerde echter een dwangsombeschikking ex artikel 4:18 Awb af te geven, met als argument dat de Awb-dwangsomregeling ingevolge artikel 15 van de Wob niet van toepassing is op Wob-verzoeken. De rechtbank Den Haag stelde de inspecteur in het gelijk, maar liet na te beslissen op het onderdeel over het niet tijdig nemen van een besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond voor zover de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op dit onderdeel, en vernietigt de uitspraak op dat punt. Voor het overige wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Afdeling oordeelt dat artikel 15 van de Wob en artikel 8.2 van de Woo de toepassing van paragraaf 4.1.3.2 van de Awb (de dwangsomregeling) uitsluit bij Wob- en Woo-verzoeken. Dit betekent dat appellant bij uitblijven van een besluit op zijn Wob-verzoek geen aanspraak kan maken op een bestuurlijke dwangsom. Hangende het hoger beroep heeft de inspecteur alsnog besluiten genomen; het beroep over het niet tijdig beslissen wordt mede daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het besluit van 1 mei 2025 wordt vernietigd, het besluit van 2 april 2025 blijft in stand als ongegrond beoordeeld. De uitspraak bevestigt daarmee de vaste lijn dat de Awb-dwangsomregeling structureel is uitgesloten in het Wob/Woo-regime, en dat burgers voor financiële druk op tijdige besluitvorming in die gevallen op andere rechtsmiddelen zijn aangewezen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 1 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4437Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4437, Raad van State, 29-07-2026, 202504988/1/A2

Raad van State29 jul 2026SchadevergoedingOverheid
38/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4404Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4404, Raad van State, 29-07-2026, 202407843/1/R3 en 202407846/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenMilieu
38/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4419Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4419, Raad van State, 29-07-2026, 202402095/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4439Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4439, Raad van State, 29-07-2026, 202403626/1/R3

Raad van State29 jul 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied