Beroepen tegen saneringsplan rijksweg grotendeels ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4568, Raad van State, 05-08-2026, 202305275/1/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 4 juli 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor zover in deze zaak van belang, het saneringsplan "Rijkswegen West-Nederland Noord A7, A8, N9, A10" vastgesteld en een aantal geluidproductieplafonds verlaagd. Op grond van artikel 11.19 van de Wet milieubeheer bevinden zich langs rijkswegen referentiepunten waar, voor het geluid van het verkeer op de weg, geluidproductieplafonds gelden. De beheerder van de weg draagt ingevolge artikel 11.20 van de Wet milieubeheer zorg voor naleving van deze geluidproductieplafonds. Met de geluidproductieplafonds worden in de omgeving van de referentiepunten gelegen woningen en andere geluidsgevoelige objecten beschermd tegen geluidsbelasting vanwege de weg. [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] wonen in Zuidoostbeemster, aan weerszijden van het hiervoor genoemde stuk van de A7. Zij ervaren geluidsoverlast van deze rijksweg. Zij vinden de saneringsmaatregel niet toereikend om hun woningen te beschermen tegen geluidsoverlast. Ook vinden zij dat zij te lang zullen moeten wachten op de uitvoering van die maatregel. Bovendien is volgens hen onzeker of het project A7/A8 Amsterdam-Hoorn zal doorgaan.
Kern van de zaak
Appellant A en anderen hebben beroep ingesteld tegen een besluit van de minister over een saneringsplan en/of verlaging van geluidproductieplafonds langs een rijksweg op grond van hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer. Een deel van de appellanten (waaronder twee personen en twee stichtingen) wordt niet-ontvankelijk verklaard, het overige beroep wordt inhoudelijk beoordeeld.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het beroep voor zover ingesteld door persoon A, persoon B, Stichting Beemstergroen en Stichting Nekkerzoom niet-ontvankelijk, en verklaart de overige beroepen ongegrond. Doorslaggevend is dat de niet-ontvankelijk verklaarde partijen geen rechtsgeldige processuele positie hadden, terwijl de inhoudelijke bezwaren van de overige appellanten geen stand hielden.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaand overgangsrecht en bekende ontvankelijkheidsnormen toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de zaak is enkelvoudig behandeld en heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke saneringslocatie.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht: hoofdstuk 11 Wet milieubeheer blijft van toepassing op vóór 1 januari 2024 ingediende verzoeken tot vaststelling van een saneringsplan of verlaging van geluidproductieplafonds, ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet.
- 2Geluidproductieplafonds langs rijkswegen beschermen nabijgelegen woningen en geluidsgevoelige objecten; de wegbeheerder (Rijkswaterstaat) is verantwoordelijk voor naleving.
- 3De saneringsregeling (afdeling 11.3.6 Wet milieubeheer) verplicht tot maatregelen voor saneringsobjecten met een te hoge geluidsbelasting, gevolgd door verlaging van de geluidproductieplafonds.
- 4Vier van de appellanten (twee natuurlijke personen en twee stichtingen) worden niet-ontvankelijk verklaard, vermoedelijk wegens het ontbreken van ontvankelijkheidsvereisten zoals belanghebbendheid of procesvolmacht.
- 5De inhoudelijke beroepen van de overige appellanten worden ongegrond verklaard; de Afdeling ziet geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de werking van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet: lopende saneringsplanprocedures worden volledig afgewikkeld onder het oude regime van hoofdstuk 11 Wet milieubeheer. Dit biedt rechtszekerheid over het toepasselijke toetsingskader in lopende geluidssaneringszaken.
Praktische impact
Voor omwonenden van de betreffende rijksweg betekent de ongegrondverklaring dat het vastgestelde saneringsplan en de bijbehorende geluidproductieplafonds in stand blijven; hun bezwaren tegen de omvang of inhoud van de saneringsmaatregelen zijn door de rechter verworpen.
Onderwerp-impact
Voor geluidssaneringsprojecten langs rijkswegen onderstreept deze uitspraak dat omwonenden en milieuorganisaties aan strikte ontvankelijkheidsvereisten moeten voldoen en dat de beleidsvrijheid van de minister bij het vaststellen van saneringsplannen beperkt rechterlijke toetsing kent.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 augustus 2026 betreft een beroepsprocedure tegen een besluit van de minister inzake de vaststelling van een saneringsplan en/of de verlaging van geluidproductieplafonds langs een rijksweg, op grond van hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer. De appellanten – een groep omwonenden en twee milieuorganisaties (Stichting Beemstergroen en Stichting Nekkerzoom) – verzetten zich tegen dit besluit. Vooreerst beoordeelt de Afdeling het overgangsrecht. Hoewel de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking is getreden, bepaalt de Aanvullingswet geluid Omgevingswet dat hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer van toepassing blijft op vóór die datum ingediende verzoeken tot vaststelling van een saneringsplan of verlaging van geluidproductieplafonds, totdat deze onherroepelijk zijn. Het oude recht is daarom in deze zaak volledig maatgevend. Inhoudelijk legt de Afdeling uit dat geluidproductieplafonds langs rijkswegen woningen en andere geluidsgevoelige objecten beschermen. Rijkswaterstaat als wegbeheerder verzoekt de minister een saneringsplan vast te stellen voor saneringsobjecten die een te hoge geluidsbelasting ondervinden. Vastgestelde saneringsmaatregelen leiden vervolgens tot verlaging van de betrokken geluidproductieplafonds. Wat de ontvankelijkheid betreft, verklaart de Afdeling het beroep van persoon A, persoon B, Stichting Beemstergroen en Stichting Nekkerzoom niet-ontvankelijk. De precieze grond daarvoor – vermoedelijk het ontbreken van belanghebbendheid of een geldige procesvolmacht – is op basis van de beschikbare tekst niet volledig te reconstrueren. De beroepen van de overige appellanten worden inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard: de aangevoerde gronden bieden geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en heeft geen proceskosten toegewezen.