Uitzetting vreemdelingen geschorst tot hoger beroep beslist
ECLI:NL:RVS:2026:4522, Raad van State, 31-07-2026, BRS.26.003952
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 16 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hen verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Verzoekers (vreemdelingen) hebben bij de voorzieningenrechter van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen en opvang te behouden, in afwachting van de uitkomst van hun hoger beroepsprocedure tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe: verzoekers mogen niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00. De doorslaggevende reden is het spoedeisend belang bij het voorkomen van onomkeerbare uitzetting vóór een inhoudelijke beoordeling in hoger beroep.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard procedurele tussenbeslissing op basis van vaste jurisprudentie, zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen; de inhoudelijke zaak moet nog worden beslecht.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: schorsing van uitzetting totdat hoger beroep is beslist
- 2Verzoek omvatte ook opvang en verstrekkingen voor de duur van de procedure
- 3Voorzieningenrechter verwijst naar vaste jurisprudentie (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand
- 5Uitspraak is proceduretechnisch van aard; inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep volgt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak volgt de vaste lijn van de Afdeling inzake voorlopige voorzieningen in vreemdelingenzaken en bevestigt dat een spoedeisend belang bij uitzettingsdreiging een schorsende voorziening rechtvaardigt in afwachting van de inhoudelijke beoordeling.
Praktische impact
Verzoekers zijn voorlopig beschermd tegen uitzetting en behouden hun aanspraak op opvang en verstrekkingen totdat de Afdeling bestuursrechtspraak het hoger beroep inhoudelijk heeft behandeld.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratieprocedures biedt dit type uitspraak betrokkenen een tijdelijke rechtsbescherming die onomkeerbare gevolgen van uitzetting voorkomt gedurende de lopende procedure.
Samenvatting
In deze zaak verzochten vreemdelingen de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening, inhoudende dat zij niet zouden worden uitgezet voordat op hun hoger beroep zou zijn beslist, en dat zij gedurende die periode opvang en verstrekkingen zouden ontvangen. Het hoger beroep was ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen. Onder verwijzing naar de vaste lijn van de Afdeling (uitspraak van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat gelet op hetgeen door verzoekers is aangevoerd, een voorlopige voorziening op zijn plaats is. Concreet betekent dit dat uitzetting van verzoekers is geschorst totdat de Afdeling in de hoger beroepsprocedure een inhoudelijk oordeel heeft geveld. Darnaast is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, begroot op € 934,00, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is strikt procedureel van aard. Er worden geen inhoudelijke standpunten ingenomen over de asiel- of verblijfsrechtelijke positie van verzoekers; die beoordeling is voorbehouden aan de behandeling van het hoger beroep zelf. De uitspraak past binnen een vaste praktijk waarbij de voorzieningenrechter bij dreigende uitzetting vóór de inhoudelijke beoordeling in hoger beroep een schorsende voorziening treft om onomkeerbare gevolgen te voorkomen. De juridische en maatschappelijke impact van deze individuele tussenbeslissing is daarmee beperkt.