Uitzetting vreemdeling opgeschort in afwachting hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4520, Raad van State, 31-07-2026, BRS.26.003945
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 18 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft bij de voorzieningenrechter van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd om zijn uitzetting en beëindiging van opvang te voorkomen, in afwachting van de behandeling van zijn hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Doorslaggevend is dat de voor de beoordeling van het hoger beroep noodzakelijke stukken nog niet zijn ontvangen, zodat een voorlopige voorziening is vereist.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard procedurele voorlopige voorziening in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is sterk feitelijk en zaakspecifiek.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist
- 2Grond voor toewijzing: ontbrekende processtukken maken inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep nog niet mogelijk
- 3Voorzieningenrechter kan de voorlopige voorziening ambtshalve opheffen of wijzigen vóór de uitspraak in hoger beroep (art. 8:87 lid 1 Awb)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding proceskosten van € 934,00 voor beroepsmatige rechtsbijstand
- 5Uitspraak is procedureel van aard: inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de uitzetting volgt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepassing van artikel 8:87 Awb in vreemdelingenzaken: een voorlopige voorziening kan worden getroffen puur op procedurele gronden zonder inhoudelijk oordeel, en blijft van kracht totdat de stukken compleet zijn en het hoger beroep inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Praktische impact
Verzoeker mag voorlopig niet worden uitgezet en behoudt zijn opvangsituatie; de minister moet bovendien de proceskosten vergoeden, wat een financiële prikkel vormt om stukken tijdig aan te leveren.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt dit type procedurale voorlopige voorziening een tijdelijk, maar effectief beschermingsmechanisme voor vreemdelingen wiens rechtspositie nog niet definitief is vastgesteld.
Samenvatting
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 juli 2026 een voorlopige voorziening getroffen in een vreemdelingenzaak. Verzoeker had verzocht zijn uitzetting en de beëindiging van zijn opvang achterwege te laten, in afwachting van de behandeling van zijn hoger beroep. De centrale juridische vraag was of er voldoende grond bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende het hoger beroep. De voorzieningenrechter honoreert het verzoek op een procedurele grond: de voor de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep noodzakelijke stukken zijn nog niet ontvangen. Zolang die stukken ontbreken, kan geen verantwoorde beslissing worden genomen over de rechtmatigheid van de uitzetting. Om die reden wordt bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op zijn hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter behoudt de mogelijkheid om deze voorziening ambtshalve op te heffen of te wijzigen op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodra de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Daarnaast wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is puur procedureel van aard en bevat geen inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de uitzetting of het asielbeleid. De impact is beperkt tot de individuele zaak, maar toont wel aan dat rechters ook op zuiver processuele gronden bescherming kunnen bieden aan vreemdelingen wier hoger beroep nog niet volledig behandeld kan worden.