RvS: minister onvoldoende bewijs voor meerderjarigheid Afghaanse asielzoeker
ECLI:NL:RVS:2026:4518, Raad van State, 04-08-2026, BRS.25.000504
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 9 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Kern van de zaak
Een Afghaanse asielzoeker diende in 2021 een asielaanvraag in en stelde geboren te zijn in 2005 (minderjarig). De minister ging uit van de in Italië geregistreerde geboortedatum 2001 (meerderjarig). De asielzoeker bestreed dit bij de rechter.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank: de minister heeft het vermoeden van minderjarigheid niet op overtuigende wijze ontzenuwd en moet bij zijn nieuwe besluit uitgaan van geboortedatum 2005. Doorslaggevend is dat noch het onderzoek van Bureau Documenten naar de taskera, noch de verklaringen over schoolgang het vermoeden van minderjarigheid voldoende weerleggen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past een reeds bestaande lijn uit 2024 toe en betreft een individuele zaak, maar heeft beleidsrelevantie voor de omvangrijke groep amv-asielaanvragen waarbij leeftijdsdiscussies spelen.
Belangrijkste punten
- 1Het vermoeden van minderjarigheid geldt als uitgangspunt; de minister draagt de bewijslast om dit vermoeden te ontzenuwen.
- 2De in Italië geregistreerde meerderjarige leeftijd weegt onvoldoende zwaar, omdat de minister de verklaring van betrokkene (doorreizen als motief) plausibel acht.
- 3Een negatieve conclusie van Bureau Documenten over de overgelegde taskera betekent niet automatisch dat betrokkene meerderjarig is.
- 4De Afdeling verwijst naar haar eerdere uitspraak van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992) als toetsingskader voor het ontzenuwen van het vermoeden van minderjarigheid.
- 5De minister is opgedragen een nieuw besluit te nemen met geboortedatum 2005 als uitgangspunt.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en past de in 2024 uitgezette lijn toe dat de bewijslast voor het weerleggen van het vermoeden van minderjarigheid zwaar is en dat een buitenlandse registratie en documenttwijfel daarvoor onvoldoende zijn. Dit heeft directe betekenis voor de wijze waarop IND-besluiten over leeftijdsvaststelling bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv's) moeten worden gemotiveerd.
Praktische impact
De minister moet een nieuw asielbesluit nemen waarbij betrokkene als minderjarig wordt aangemerkt, wat gevolgen heeft voor de toepasselijke asielprocedure en eventuele bijzondere bescherming als alleenstaande minderjarige vreemdeling.
Onderwerp-impact
In zaken waarbij asielzoekers een andere leeftijd opgeven dan in een eerder EU-land geregistreerd, legt de Raad van State de bewijslast stevig bij de overheid; plausibele verklaringen voor afwijkende registraties dienen serieus te worden meegewogen.
Samenvatting
Een Afghaanse asielzoeker met de gestelde geboortedatum 2005 diende in januari 2021 een asielaanvraag in Nederland in. De minister wees de aanvraag af met als uitgangspunt de in Italië geregistreerde geboortedatum 2001, waarmee betrokkene ten tijde van de aanvraag meerderjarig zou zijn geweest. Betrokkene bestreed dit en legde een taskera over ter onderbouwing van zijn gestelde geboortedatum. De rechtbank stelde de minister in het ongelijk en droeg hem op een nieuw besluit te nemen met geboortedatum 2005. De Raad van State bevestigt dit oordeel in hoger beroep. Centraal staat de vraag of de minister het juridische vermoeden van minderjarigheid voldoende heeft ontzenuwd. De Afdeling beantwoordt deze vraag ontkennend. Daarbij is van belang dat de minister zelf de verklaring van betrokkene — dat hij zich in Italië als meerderjarige heeft laten registreren om te kunnen doorreizen — plausibel acht. Die erkende plausibiliteit ondergraaft de bewijskracht van de Italiaanse registratie als argument voor meerderjarigheid. Voorts oordeelt de Afdeling dat het onderzoek van Bureau Documenten naar de overgelegde taskera weliswaar uitwees dat betrokkene zijn minderjarigheid daarmee niet aannemelijk kan maken, maar dat dit onderzoek evenmin positief vaststelt dat betrokkene meerderjarig is. De negatieve documentconclusie en de verklaringen over schoolgang zijn gezamenlijk onvoldoende om het vermoeden van minderjarigheid op overtuigende wijze weg te nemen, conform de door de Afdeling in oktober 2024 gestelde maatstaf. De uitspraak benadrukt dat de bewijslast bij de minister rust en dat twijfel over documenten niet automatisch ten nadele van de asielzoeker mag worden uitgelegd bij de leeftijdsvaststelling.