Dwangsom verbeurd wegens ontbrekende ontheffing bij herplanting elders
ECLI:NL:RVS:2026:4515, Raad van State, 23-07-2026, 202505979/1/A3 en 202505979/2/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 april 2024 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Groningen bij [verzoeker] een dwangsom van € 52.000,00 ingevorderd. Bij besluit van 22 april 2025 is het college bij het besluit tot invordering gebleven, maar heeft het te vorderen bedrag gematigd tot € 5.000,00. Bij uitspraak van 7 november 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2025. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college tot invordering van de verbeurde dwangsom mocht overgaan. [verzoeker] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij wel aan de last heeft voldaan, omdat tijdig is herplant. De voorzieningenrechter is het eens met het oordeel van de rechtbank en de in de onder 7 tot en met 7.2 van de uitspraak opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
Kern van de zaak
Een particulier ([verzoeker]) verwijderde houtopstand op percelen in Groningen zonder ontheffing, in strijd met de Wet natuurbescherming. Het college legde een last onder dwangsom op met herbeplantingsplicht vóór 1 januari 2024. De verzoeker herplantte op een andere locatie zonder de vereiste ontheffing, waarna het college overging tot invordering van de verbeurde dwangsom.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Doorslaggevend is dat de verzoeker op 1 januari 2024 niet beschikte over de vereiste ontheffing voor herplanting op een andere locatie, terwijl hij meerdere malen op deze verplichting was gewezen; het achteraf verkregen maatwerkvoorschrift (november 2024) maakt dit niet ongedaan.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande rechtspraak over invordering van dwangsommen toe op een feitelijk specifieke situatie en stelt geen nieuwe rechtsregels; de juridische betekenis is beperkt tot bevestiging van reeds geldende beginselen.
Belangrijkste punten
- 1Herplanting op een andere locatie dan opgelegd vereist een ontheffing ex artikel 4.5 Wnb (thans maatwerkvoorschrift Omgevingswet).
- 2Op de uiterste datum (1 januari 2024) was geen ontheffing verleend, zodat niet aan de last was voldaan en de dwangsom van rechtswege was verbeurd.
- 3Het achteraf (november 2024) alsnog verkregen maatwerkvoorschrift heft de verbeurte niet op.
- 4De verzoeker was meerdere malen gewaarschuwd voor de ontheffingsplicht bij herplanting elders, maar diende de aanvraag pas op 8 oktober 2024 in.
- 5De Afdeling past artikel 8:86 Awb toe en doet onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak bij de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat voldoening aan een last onder dwangsom integraal en tijdig moet plaatsvinden: een later verkregen toestemming voor een afwijkende uitvoering herstelt een reeds ingetreden verbeurte niet. Dit sluit aan bij de vaste lijn dat invordering van verbeurde dwangsommen in beginsel verplicht is.
Praktische impact
Voor overtreders die een last onder dwangsom ontvangen, is het cruciaal om tijdig alle benodigde vergunningen of ontheffingen voor alternatieve naleving aan te vragen; nalaten hiervan leidt onvermijdelijk tot invordering, ook als de vereiste toestemming later alsnog wordt verkregen.
Onderwerp-impact
In het kader van de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet verduidelijkt deze uitspraak dat de materiële verplichting tot het tijdig verkrijgen van toestemming voor herplanting op een andere locatie onverminderd geldt, ongeacht de toepasselijke wettelijke grondslag (ontheffing Wnb dan wel maatwerkvoorschrift Omgevingswet).
Samenvatting
In deze zaak legde het college van gedeputeerde staten aan een particulier een last onder dwangsom op nadat hij op meerdere percelen in de provincie Groningen houtopstand had verwijderd zonder de vereiste ontheffing, in strijd met de artikelen 4.2 en 4.3 van de Wet natuurbescherming en de provinciale Omgevingsverordening. De last verplichtte hem om vóór 1 januari 2024 op dezelfde locaties nieuwe houtopstand te planten, of – met ontheffing – te herplanten op een andere locatie. De verzoeker plantte tijdig her, maar deed dat op een andere locatie (perceel [locatie 1]) zonder de daarvoor vereiste ontheffing op grond van artikel 4.5 Wnb. Partijen waren het erover eens dat deze ontheffing ontbrak op de uiterste datum. De verzoeker had bovendien meerdere malen een waarschuwing ontvangen dat herplanting elders slechts toegestaan was mét ontheffing. Pas op 8 oktober 2024 – bijna tien maanden na de deadline – diende hij een aanvraag in voor een maatwerkvoorschrift onder de inmiddels in werking getreden Omgevingswet. Dit maatwerkvoorschrift werd op 11 november 2024 vastgesteld. De centrale juridische vraag was of het college terecht tot invordering van de verbeurde dwangsom was overgegaan, of dat de (zij het late) verkrijging van het maatwerkvoorschrift aan invordering in de weg stond. De Raad van State beantwoordt die vraag ontkennend. Nu op 1 januari 2024 geen geldige ontheffing bestond, was de last op die datum niet nageleefd en was de dwangsom van rechtswege verbeurd. Het achteraf verkregen maatwerkvoorschrift kan de reeds ingetreden verbeurte niet ongedaan maken. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Met toepassing van artikel 8:86 Awb wordt gelijktijdig uitspraak in de hoofdzaak gedaan.